ECLI:NL:CRVB:2011:BT6416

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
30 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2070 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 AwbWet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA)
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering WIA-uitkering wegens ontbreken ziekte of beperkingen

Appellant heeft zich ziek gemeld vanwege psychische klachten en verzocht om een WIA-uitkering. Het UWV weigerde deze uitkering omdat volgens een door de rechtbank benoemde onafhankelijke deskundige geen sprake was van ziekte of beperkingen. Appellant voerde tegenbewijs aan met rapportages van verschillende psychiaters die een ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken en schizofrenie stelden.

De Raad heeft de rapportages van de onafhankelijke deskundige en de door appellant ingebrachte psychiatrische rapporten uitgebreid bestudeerd. De deskundige heeft gemotiveerd uitgelegd waarom hij de diagnoses van de behandelend psychiaters niet volgt, onder meer omdat depressieve gevoelens niet gelijk zijn aan een depressieve stoornis en de symptomatologie van schizofrenie inconsequent is. Ook het rapport van een andere deskundige, benoemd in een andere procedure, ondersteunt het oordeel dat er geen beperkingen zijn.

De Raad concludeert dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden voor het oordeel dat appellant op medische gronden geen beperkingen ondervond op de peildatum. Een neuropsychologisch onderzoek is niet noodzakelijk. De Raad bevestigt daarom het bestreden besluit en verklaart het beroep ongegrond.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de weigering van de WIA-uitkering wegens het ontbreken van ziekte of beperkingen.

Uitspraak

10/2070 WIA
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Breda van 24 februari 2010, 09/857 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 30 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Timmermans, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Appellant heeft een in zijn opdracht opgestelde rapportage van 21 mei 2010 van psychiater W.C. Bohlmeijer overgelegd waarop door de bezwaarverzekeringsarts is gereageerd in een rapport van 28 juni 2010.
De Raad heeft bij brief van 24 januari 2011 vragen gesteld aan de door de rechtbank benoemde deskundige, zenuwarts D.H.J. Boeykens. Bij brief van 2 februari 2011 heeft Boeykens geantwoord. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarop gereageerd in een rapport van 11 maart 2011. Appellant heeft een brief van 11 maart 2011 overgelegd van psychiater Bohlmeijer.
Daarop heeft de Raad bij brief van 12 mei 2011 wederom vragen gesteld aan de door de rechtbank benoemde deskundige, zenuwarts Boeykens. Bij brief van 8 juni 2011 heeft Boeykens geantwoord. De bezwaarverzekeringsarts heeft daarop gereageerd in een rapport van 10 augustus 2011. Het Uwv heeft voorts een rapportage overgelegd van de door de rechtbank Breda in het kader van een andere procedure benoemde deskundige, zenuwarts/psychiater W. Eland van 29 juli 2011.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 19 augustus 2011. Appellant is verschenen bijgestaan door zijn gemachtigde mr. Timmermans. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.E.J.P.M. Rutten, werkzaam bij het Uwv.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant heeft zich op 21 september 2006 ziek gemeld vanwege psychische klachten vanuit een situatie waarin hij een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontving. Op 20 juni 2008 heeft hij een uitkering aangevraagd ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (hierna: Wet WIA). Appellant is in het kader van de beoordeling van de aanvraag in opdracht van het Uwv psychiatrisch onderzocht door psychiater J.H.M. van Laarhoven, die in zijn rapport van 12 oktober 2008 tot de diagnose simulatie is gekomen. Bij besluit van 20 november 2008 heeft het Uwv geweigerd appellant met ingang van 18 september 2008 een uitkering ingevolge de Wet WIA toe te kennen omdat appellant niet ziek is en dus ook niet arbeidsongeschikt. Bij besluit op bezwaar van 19 januari 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv de bezwaren van appellant tegen de weigering ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak is het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. De rechtbank heeft zenuwarts Boeykens benoemd als deskundige. In een rapport van 23 september 2009 komt deze deskundige tot de diagnose simulatie. De conclusie is dat geen sprake is van ziekte of gebrek. Appellant heeft voorts een tweetal brieven ingebracht van respectievelijk psychiater J.P.M. Gerards van 5 oktober 2009 en psychiater M.A.W. Verwielen van
11 november 2009. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen reden is om de deskundige niet te volgen in zijn oordeel, omdat deze op uitgebreide wijze verslag heeft gedaan van zijn onderzoeksbevindingen en gemotiveerd heeft aangegeven hoe hij tot zijn oordeel is gekomen.
3. Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Hij heeft zich op het standpunt gesteld dat de brief van 5 oktober 2009 van de behandelend psychiater Gerards en de brief van 11 november 2009 van de op zijn verzoek rapporterende psychiater Verwielen, die hij naar aanleiding van het rapport van Boeykens van
23 september 2009 aan de rechtbank heeft overgelegd, voor de rechtbank aanleiding hadden moeten zijn het oordeel van de door de rechtbank ingeschakelde deskundige Boeykens niet te volgen. Ter verdere onderbouwing van het beroepschrift heeft appellant een in zijn opdracht opgesteld rapport van 21 mei 2010 overgelegd van psychiater Bohlmeijer. Bohlmeijer komt tot de conclusie dat appellant op 18 september 2008 beperkingen ondervond als gevolg van ernstige psychische klachten. Als diagnose vermeldt Bohlmeijer een depressieve stoornis, chronisch recidiverend beloop met psychotische kenmerken. Bohlmeijer acht een neuro-psychologisch onderzoek aangewezen, hetgeen appellant onderschrijft.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. De Raad stelt voorop dat naar vaste jurisprudentie het oordeel van een onafhankelijke door de bestuursrechter ingeschakelde deskundige in beginsel wordt gevolgd. De Raad ziet in het onderhavige geval geen aanleiding op grond van bijzondere omstandigheden van dit beginsel af te wijken. Dit betekent dat de Raad, evenals de rechtbank, de deskundige volgt in zijn oordeel dat ten aanzien van appellant op 18 september 2008 geen sprake was van ziekte of gebreken en derhalve evenmin van eventuele beperkingen die hiermee samenhangen.
4.2. De Raad tekent hierbij aan dat de deskundige in zijn brief van 2 februari 2011 gemotiveerd heeft gereageerd op de andersluidende visies van behandelend psychiater Gerards in de brief van 5 oktober 2009, van de door appellant geraadpleegde psychiater Verwielen in het rapport van 11 november 2009 en van de door appellant geraadpleegde psychiater Bohlmeijer in het rapport van 21 mei 2010. De deskundige heeft uitgebreid onderbouwd op welke gronden hij de diagnose ernstige depressieve stoornis met psychotische kenmerken van Gerards en Bohlmeijer en de diagnose schizofrene stoornis van Verwielen niet volgt. De deskundige geeft aan dat depressieve gevoelens en malaisegevoelens niet gelijk kunnen worden gesteld aan een depressieve stoornis. Wat betreft de diagnose schizofrenie meldt hij dat appellant inconsequente symptomatologie vertoont ofschoon schizofrenie leidt tot een vrij constant aanwezige symptomatologie. Met betrekking tot de psychotische kenmerken merkt de deskundige op dat appellant, ondanks de hoge dosering antipsychotica toch nog psychotische kenmerken zou vertonen, hetgeen hij buitengewoon merkwaardig acht.
4.3. Verder neemt de Raad in aanmerking dat de conclusie van de deskundige strookt met de rapportage van psychiater Van Laarhoven van 12 oktober 2008. Voorts strookt de conclusie van de deskundige met de wederom in opdracht van de rechtbank uitgebrachte deskundigenrapportage van zenuwarts/psychiater Eland van 29 juli 2011, waarin deze tot de diagnose aanpassingsstoornis, simulatie en zwakbegaafdheid komt, hetgeen volgens de deskundige niet leidt tot het aannemen van beperkingen op grond van een psychiatrisch ziektebeeld. Weliswaar ziet laatstgenoemde deskundigenrapportage op een andere datum in geding, te weten 29 september 2010, en op een ander aanvraag, te weten een aanvraag van een uitkering ingevolge de Ziektewet, doch het rapport van Eland is mede gebaseerd op van de zijde van appellant verstrekte informatie dat het beeld dat appellant ten tijde van het onderzoek vertoont, sedert een jaar of vier een permanent gedragspatroon vormt.
4.4. De Raad is dan ook tot het oordeel gekomen dat de beschikbare gegevens voldoende steun bieden om te oordelen dat voor appellant op 18 september 2008 op medische gronden naar objectieve maatstaf gemeten geen beperkingen gelden als gevolg van ziekte of gebreken. Voor het laten verrichten van een neuro-psychologisch onderzoek, zoals appellant heeft verzocht, ziet de Raad geen aanleiding.
5. Het vorenstaande leidt de Raad tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Awb inzake de vergoeding van de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door T.L. de Vries als voorzitter en E.E.V. Lenos en N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 30 september 2011.
(get.) T.L. de Vries.
(get.) H.L. Schoor.
GdJ