ECLI:NL:CRVB:2011:BT6580
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding met zus
Appellant vroeg op 19 maart 2009 bijstand aan als alleenstaande, maar het College van burgemeester en wethouders van Utrecht wees de aanvraag af omdat appellant een gezamenlijke huishouding zou voeren met zijn zus. Dit besluit werd bij bezwaar gehandhaafd en de voorzieningenrechter verklaarde het beroep ongegrond.
In hoger beroep voerde appellant aan dat er geen sprake was van wederzijdse zorg, maar van een commerciële huurrelatie. De Raad beoordeelde de situatie over de periode van de aanvraag tot het primaire besluit en stelde vast dat appellant en zijn zus hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden, waardoor het eerste criterium van gezamenlijke huishouding was voldaan.
De Raad oordeelde dat het tweede criterium van wederzijdse zorg eveneens was vervuld, gelet op de financiële en huishoudelijke verstrengeling tussen appellant en zijn zus, zoals gezamenlijke kosten, boodschappen, koken en was. De stelling van appellant dat hij een slaapkamer huurt voor € 200 per maand werd niet aannemelijk geacht, mede vanwege het ontbreken van een huurcontract en betalingsbewijzen.
De Raad concludeerde dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met zijn zus en bevestigde daarmee de eerdere uitspraak. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De afwijzing van de bijstandsuitkering wordt bevestigd omdat appellant en zijn zus een gezamenlijke huishouding voeren met wederzijdse zorg.