ECLI:NL:CRVB:2011:BT6798
Centrale Raad van Beroep
- Eerste aanleg - meervoudig
- A. Beuker-Tilstra
- R. Kooper
- G.L.M.J. Stevens
- Rechtspraak.nl
Afwijzing erkenning als oorlogsgetroffene op grond van de Wubo wegens ontbreken directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld
Appellante, geboren in 1939 in het voormalig Nederlands-Indië, verzocht om erkenning als oorlogsgetroffene op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo), met het oog op gezondheidsklachten die zij toeschrijft aan haar ervaringen tijdens de Japanse bezetting en de Bersiap-periode.
De Pensioen- en Uitkeringsraad wees haar aanvraag af wegens het ontbreken van objectieve bevestiging van de oorlogservaringen en omdat de gebeurtenissen niet onder de werking van de Wubo vielen. De Raad overwoog dat zware mishandeling in de zin van de wet excessief geweld vereist, en dat bedreigingen door pemoeda’s geen gericht geweld tegen appellante inhielden. Ook was er geen bewijs van directe, persoonlijke betrokkenheid bij beschietingen in Pekalongan en Semarang.
Verder kon de Raad geen bevestiging vinden van een bedreiging waarbij een pemoeda een afgehakt hoofd toonde en dreigde het gezin te doden. Algemene oorlogsomstandigheden zoals angst en vluchtgedrag kwalificeren niet als calamiteiten in de zin van de Wubo. De Raad concludeerde dat erkenning gebonden is aan specifieke omstandigheden van directe betrokkenheid bij oorlogsgeweld, en verklaarde het beroep ongegrond.
Uitkomst: Het beroep wordt ongegrond verklaard en de aanvraag om erkenning als oorlogsgetroffene wordt afgewezen.