ECLI:NL:CRVB:2011:BT7131

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
5 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-2316 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 33 ZW
Verwijzingen
2 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging terugvordering onverschuldigd betaalde ziekengelduitkering zonder dringende redenen

Appellant ontving een ziekengelduitkering op basis van een vastgesteld dagloon dat later werd gecorrigeerd, waardoor sprake was van een onverschuldigde betaling van €854,12. Het UWV vorderde dit bedrag terug, wat door appellant werd bestreden met het argument dat hij foutief was voorgelicht en dat terugvordering onaanvaardbare financiële en psychische gevolgen zou hebben.

De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond en oordeelde dat het UWV op grond van artikel 33 ZW Pro verplicht is tot terugvordering, tenzij dringende redenen aanwezig zijn. De rechtbank vond geen dringende redenen, mede omdat appellant geen medische onderbouwing leverde voor zijn psychische klachten en de terugvordering was opgeschort vanwege zijn nihil aflossingscapaciteit.

In hoger beroep bevestigde de Raad deze overwegingen. De Raad stelde vast dat het UWV terecht terugvordert en dat de door appellant aangevoerde omstandigheden niet voldoen aan de strenge criteria voor dringende redenen. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak van de rechtbank Rotterdam wordt daarmee bekrachtigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van onverschuldigd betaalde ziekengelduitkering wegens het ontbreken van dringende redenen.

Uitspraak

10/2316 ZW
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 8 april 2010, 09/3502
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 5 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Appellant heeft hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 24 augustus 2011. Appellant is niet verschenen. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Veldman.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Het Uwv heeft bij besluit van 29 juni 2009 aan appellant met ingang van 20 april 2009 een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) toegekend, gebaseerd op een dagloon van € 64,77, welk bedrag na controle bij besluit van 1 juli 2009 is gecorrigeerd naar € 66,00.
1.2. Bij besluit van 10 augustus 2009 heeft het Uwv appellant meegedeeld dat aan hem, door een systeem technische onvolkomenheid, naar een te hoog dagloon is betaald, tot 1 juli 2009 naar een dagloon van € 87,00 en vanaf 1 juli 2009 naar een dagloon van
€ 88,10, waardoor appellant teveel ziekengeld heeft ontvangen. Het Uwv heeft bij dit besluit de over de periode 20 april 2009 tot en met 30 juni 2009 onverschuldigd betaalde ziekengelduitkering ten bedrage van € 735,00 respectievelijk de over de periode van 1 juli 2009 tot en met 12 juli 2009 onverschuldigd betaalde ziekengelduitkering ten bedrage van € 119,12, in totaal € 854,12 van hem teruggevorderd. Het tegen dit besluit gemaakte bezwaar is door het Uwv bij besluit van 10 september 2009 (hierna: het bestreden besluit) ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het Uwv op grond van artikel 33 van Pro de ZW gehouden is om hetgeen onverschuldigd betaald is terug te vorderen en slechts in geval van een dringende reden bevoegd is om van terugvordering af te zien. Onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad is naar het oordeel van de rechtbank slechts sprake van een dringende reden bij onaanvaardbaarheid van de sociale of financiële gevolgen die een terugvordering voor een verzekerde heeft. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen sprake is van een dringende reden om van terugvordering af te zien en heeft daarbij van belang geacht dat volgens het verweerschrift is vastgesteld dat appellants aflossingscapaciteit nihil is en dat de invordering daarom is opgeschort. Verder heeft de rechtbank, eveneens onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de Raad, overwogen dat de omstandigheid dat de terugvordering verband houdt met door het Uwv gemaakte fouten, op zichzelf geen dringende reden oplevert. Appellants stelling dat de terugvordering in strijd zou zijn met het vertrouwensbeginsel heeft de rechtbank niet gevolgd nu geen sprake is van een ondubbelzinnige toezegging dat niet teruggevorderd zal worden. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat het appellant redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn dat een correctie van het dagloon van € 64,77 naar € 66,- over de betrokken periode van 58 (werk)dagen niet zou leiden tot een nabetaling van € 854,12. In de omstandigheid dat het Uwv in het bestreden besluit onvoldoende gemotiveerd op de door appellant naar voren gebrachte bezwaren is ingegaan en dit verzuim eerst in beroep heeft hersteld, heeft de rechtbank ten slotte aanleiding gezien te bepalen dat aan appellant het door hem betaalde griffierecht dient te worden vergoed.
3. In hoger beroep heeft appellant -samengevat- aangevoerd dat hij door het Uwv omtrent de onder 2 bedoelde nabetaling fout is voorgelicht en hij daardoor niet kon weten dat hij te veel ziekengeld ontving. De fouten die door het Uwv zijn gemaakt, hadden voor het Uwv aanleiding moeten zijn van terugvordering af te zien. Tot slot stelt appellant dat de terugvordering voor hem onaanvaardbare (financiële) consequenties heeft nu zijn schuldenlast daardoor stijgt en dit voor psychische problemen zorgt.
4. De Raad overweegt als volgt.
4.1. Niet in geschil is dat het Uwv aan appellant onverschuldigd ziekengeld heeft betaald. Evenmin is in geschil de hoogte van het teruggevorderd bedrag.
4.2. Ingevolge het bepaalde in artikel 33, eerste lid, van de ZW is het Uwv verplicht tot terugvordering over te gaan indien sprake is van onverschuldigde betaling van uitkering. Ingevolge het vierde lid van dit artikel kan het Uwv geheel of gedeeltelijk van terugvordering afzien in het geval dringende redenen aanwezig zijn. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad kan een dringende reden alleen aan de orde zijn wanneer de terugvordering onaanvaardbare sociale of financiële consequenties heeft voor de betrokkene. Daarbij dient het te gaan om incidentele gevallen waarin iets bijzonders en uitzonderlijks aan de hand is en waarin een individuele afweging van alle relevante omstandigheden plaatsvindt.
4.3. Met de rechtbank en op grond van dezelfde overwegingen is de Raad van oordeel dat door appellant in beroep noch in hoger beroep dringende redenen zijn aangevoerd als bedoeld in artikel 33, vierde lid, van de ZW. Ten aanzien van de door appellant aangevoerde psychische klachten, overweegt de Raad dat door appellant in hoger beroep geen medische stukken ter onderbouwing van deze klachten zijn overgelegd.
5. Hetgeen hiervoor onder 4.1 tot en met 4.4 is overwogen leidt de Raad tot de conclusie dat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J. Riphagen als leden, in tegenwoordigheid van M.A. van Amerongen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 5 oktober 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) M.A. van Amerongen.
GdJ