ECLI:NL:CRVB:2011:BT7202

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
4 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-4347 WWB-VV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Voorlopige voorziening
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:81 AwbArt. 8:83 AwbArt. 18 BeroepswetArt. 21 BeroepswetArt. 22, vierde lid, Beroepswet
Verwijzingen
8 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Niet-ontvankelijkverklaring verzoek voorlopige voorziening wegens niet tijdig betalen griffierecht

Verzoeker heeft hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Rotterdam en verzocht om een voorlopige voorziening bij de Centrale Raad van Beroep. De gemachtigde van verzoeker werd meerdere malen schriftelijk gewezen op de verplichting om het griffierecht van €112 binnen veertien dagen na dagtekening te voldoen.

Ondanks deze waarschuwingen is het griffierecht niet voldaan, noch per kas, noch per bank, vóór de geplande behandeling van het verzoek. Op grond van artikel 8:83, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is het verzoek om een voorlopige voorziening daarom kennelijk niet-ontvankelijk.

De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling en verklaart het verzoek niet-ontvankelijk. De uitspraak is gedaan in het openbaar op 4 oktober 2011 door voorzieningenrechter O.L.H.W.I. Korte.

Uitkomst: Verzoek om voorlopige voorziening niet-ontvankelijk verklaard wegens niet tijdige betaling van het griffierecht.

Uitspraak

11/4347 WWB-VV
Centrale Raad van Beroep
Voorzieningenrechter
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:84, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet op het verzoek om voorlopige voorziening van:
[Naam verzoeker] (hierna: verzoeker),
in verband met het hoger beroep van:
verzoeker
tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2011, 10/3790 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
verzoeker
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam
Datum uitspraak: 4 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens verzoeker heeft mr. R.W. Koevoets, advocaat te Rotterdam (hierna: de gemachtigde), bij brief van 18 juli 2011 hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 1 juni 2011, 10/3790.
Bij brief van 20 juli 2011 heeft de gemachtigde verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
II. OVERWEGINGEN
Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en Pro artikel 21 van Pro de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van Pro de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank hoger beroep bij de Raad is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
In het eerste lid van artikel 23 van Pro de Beroepswet is bepaald dat door de griffier een griffierecht wordt geheven. Artikel 22, vierde lid, van de Beroepswet is van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de termijn binnen welke de bijschrijving of storting van het verschuldigde bedrag dient plaats te vinden twee weken bedraagt.
Bij schrijven van 25 juli 2011 is de gemachtigde erop gewezen dat ter zake van het ingediende verzoek een griffierecht van € 112,-- is verschuldigd en dat dit bedrag uiterlijk veertien dagen na dagtekening dient te zijn voldaan.
Bij aangetekende brief van 8 augustus 2011 is de gemachtigde nogmaals gewezen op de verschuldigdheid van het griffierecht van € 112,-- en is meegedeeld dat dit bedrag binnen een week na dagtekening van die brief, dan wel vóór aanvang van de zitting, diende te zijn voldaan. Daarbij is er op gewezen dat het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk zal worden verklaard, indien het griffierecht niet binnen de gestelde termijn per kas is voldaan of per bank is overgemaakt, waarbij beslissend is uitsluitend de dag waarop het bedrag is bijgeschreven op de bankrekening van de Centrale Raad van Beroep.
De voorzieningenrechter stelt vast dat het griffierecht ook vóór de aanvang van de voorgenomen behandeling op 23 augustus 2011, niet is voldaan.
Het verzoek om een voorlopige voorziening te treffen moet dan ook kennelijk niet-ontvankelijk worden verklaard onder toepassing van artikel 8:83, derde lid, van de Awb.
Voor een proceskostenveroordeling ziet de voorzieningenrechter geen aanleiding.
III. BESLISSING
De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,
Verklaart het verzoek om een voorlopige voorziening niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door O.L.H.W.I Korte, in tegenwoordigheid van E. Heemsbergen als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 4 oktober 2011.
(get.) O.L.H.W.I. Korte.
(get.) E. Heemsbergen.
IJ