ECLI:NL:CRVB:2011:BT7223

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
29 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-3273 WUBO
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61 lid 3 WuboArt. 8:75 AwbWet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot herziening WUBO-uitkering wegens ontbreken nieuwe feiten

Appellant, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, diende in maart 2002 een aanvraag in voor een periodieke uitkering op grond van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo). Deze aanvraag werd afgewezen en het bezwaar tegen deze afwijzing werd in 2003 gehandhaafd, omdat niet was aangetoond dat appellant door oorlogsgeweld was getroffen.

In juli 2009 verzocht appellant om herziening van deze besluiten. Verweerder wees dit verzoek af, omdat appellant geen nieuwe feiten of gegevens had aangevoerd die aanleiding zouden geven tot herziening. De Centrale Raad van Beroep toetste dit besluit terughoudend en concludeerde dat de aangevoerde verklaringen geen nieuwe bevestiging van betrokkenheid bij oorlogsgeweld bevatten.

De Raad verklaarde het beroep ongegrond en wees tevens af om proceskosten toe te kennen, omdat geen gronden aanwezig waren voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht. De uitspraak werd gedaan op 29 september 2011 door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep.

Uitkomst: Het beroep tegen de afwijzing van het verzoek tot herziening van de WUBO-uitkering wordt ongegrond verklaard.

Uitspraak

10/3273 WUBO
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[Appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
en
de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Pensioen- en Uitkeringsraad (hierna: verweerder)
Datum uitspraak: 29 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUBO van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Pensioen- en Uitkeringsraad als bedoeld in die wet. Waar in deze uitspraak wordt gesproken van verweerder, wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUBO van de PUR.
Namens appellant is beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 20 mei 2010, kenmerk BZ 9297, JZ/I/60/2010, verder: bestreden besluit. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940-1945 (Wubo).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 18 augustus 2011. Voor appellant is verschenen mr. J.C.M. van Berkel, advocaat te Sittard. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A.T.M. Vroom-van Berckel, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellant, geboren in 1942 in het voormalige Nederlands-Indië, heeft in maart 2002 bij verweerder een aanvraag ingediend om in aanmerking te worden gebracht voor een periodieke uitkering op grond van de Wubo. Die aanvraag heeft verweerder afgewezen. De afwijzing is na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij besluit van 31 januari 2003 op de grond dat niet is gebleken dat appellant is getroffen door oorlogsgeweld in de zin van de Wubo. In dat verband is overwogen dat de gestelde vlucht van kampong naar kampong niet onder levensbedreigende omstandigheden heeft plaatsgevonden, de angst vanwege de rond het huis lopende Indonesische opstandelingen niet onder de werking van de Wubo valt en een directe betrokkenheid bij beschietingen (aan de Grote Postweg) in Bandoeng niet is aangetoond of voldoende aannemelijk is gemaakt. Tegen het besluit van 31 januari 2003 heeft appellant geen beroep ingesteld.
1.2. In juli 2009 is namens appellant verzocht de onder 1.1 genoemde besluiten te herzien. Bij besluit van 21 september 2009, zoals na gemaakt bezwaar gehandhaafd bij het bestreden besluit, heeft verweerder dat verzoek afgewezen. Verweerder was van mening dat appellant geen nieuwe feiten of gegevens heeft vermeld die aanleiding geven om de eerdere afwijzing te herzien.
2. De Raad overweegt als volgt.
2.1. Het verzoek van juli 2009 is door verweerder terecht aangemerkt als een verzoek om herziening van de onder 1.1 genoemde besluiten.
2.2. Op grond van artikel 61, derde lid, van de Wubo is verweerder bevoegd op een daartoe door de belanghebbende gedane aanvraag een door hem gegeven besluit in het voordeel van de bij dat besluit betrokkene te herzien. Gezien het karakter van de in dat artikellid aan verweerder verleende discretionaire bevoegdheid kan de Raad het bestreden besluit slechts terughoudend toetsen. Daarbij staat centraal of appellant bij zijn verzoek dan wel in bezwaar nieuwe feiten of gegevens heeft aangevoerd die aan verweerder bij de besluitvorming over de eerdere aanvraag niet bekend waren en dat besluit in een zodanig nieuw licht plaatsen dat verweerder daarin aanleiding had moeten vinden om tot herziening over te gaan.
2.3. Van dergelijke gegevens is ook de Raad niet gebleken. Weliswaar zijn twee verklaringen overgelegd, maar ook in die verklaringen is niet alsnog een bevestiging te vinden van een betrokkenheid van appellant bij (een van) de gestelde gebeurtenissen. Het ontbreken van bevestigingsgegevens in het geval van appellant brengt ook mee dat om die reden al niet met succes een beroep kan worden gedaan op de namens appellant genoemde uitspraken van de Raad in enkele andere gevallen.
3. Uit het voorgaande vloeit voort dat het bestreden besluit de hier aan de orde zijnde toets kan doorstaan en dat het beroep ongegrond moet worden verklaard.
4. De Raad acht tot slot geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht inzake vergoeding van proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en A.A.M. Mollee als leden, in tegenwoordigheid van K. Moaddine als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 29 september 2011.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
(get.) K. Moaddine.
HD