ECLI:NL:CRVB:2011:BT7240

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
27 september 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09/2449 WWB + 09/2453 WWB + 11/3880 WWB + 11/4089 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:57 AwbArt. 21 BeroepswetArt. 6:18 AwbArt. 6:19 AwbArt. 6:24 Awb
Verwijzingen
7 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vaststelling terugvordering bijstand en ZFW-premies door Centrale Raad van Beroep

Appellanten zijn in hoger beroep gegaan tegen besluiten van het College van burgemeester en wethouders van Arnhem over terugvordering van bijstand. De Centrale Raad van Beroep heeft in een tussenuitspraak een deel van de feiten en het geschil toegelicht. Het College had in een nadere beslissing bedragen teruggevorderd, inclusief premies ZFW over 2005, die appellanten betwistten.

De Raad oordeelt dat de ZFW-premies onterecht bij appellanten zijn teruggevorderd en dat deze premies bij het UWV thuishoren. De Raad stelt zelf de correcte bedragen van de terugvordering vast, waarbij appellante en appellant mede aansprakelijk zijn voor respectievelijk € 15.970,59 en € 6.598,95. Tevens veroordeelt de Raad het College tot vergoeding van proceskosten en griffierecht.

Het hoger beroep leidt tot vernietiging van de eerdere besluiten voor zover zij de terugvordering en mede-aansprakelijkstelling betreffen. De uitspraak is gedaan door een meervoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep en is openbaar uitgesproken op 27 september 2011.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep vernietigt de terugvorderingsbesluiten en stelt de juiste bedragen vast zonder de ZFW-premies bij appellanten terug te vorderen.

Uitspraak

09/2449 WWB
09/2453 WWB
11/3880 WWB
11/4089 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] en [Appellant], beiden wonende te [woonplaats],
tegen de uitspraak van de rechtbank Arnhem van 20 maart 2009, 08/5097 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem (hierna: College)
Datum uitspraak: 27 september 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellanten heeft mr. L. van Etten, advocaat te Arnhem, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 22 maart 2011. Appellanten zijn, zoals vooraf bericht, niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door W.A.A. van Wees, werkzaam bij de gemeente Arnhem.
Na een tussenuitspraak van de Raad van 3 mei 2011, LJN BQ4873, heeft het College op 20 juni 2011 een nieuw besluit op bezwaar genomen.
Bij brief van 19 juli 2011 heeft mr. Van Etten namens appellanten een zienswijze over dit besluit naar voren gebracht. Daarop is namens het College bij brief van 8 september 2011 gereageerd.
Met toepassing van artikel 8:57, tweede lid, aanhef en onder c, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelezen in verbinding met artikel 21, eerste en zesde lid, van de Beroepswet, is afgezien van een nader onderzoek ter zitting, waarna het onderzoek is gesloten.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad verwijst voor een uiteenzetting van de feiten waarvan hij bij zijn oordeelsvorming uitgaat naar zijn tussenuitspraak van 3 mei 2011. Daaraan voegt hij het volgende toe.
2. Bij besluit van 20 juni 2011 heeft het College het bedrag van de terugvordering van appellant vastgesteld op € 6.885,46 - waarvoor appellante mede aansprakelijk wordt gehouden - en het bedrag van de terugvordering van appellante vastgesteld op € 16.403,46, waarvoor appellant mede aansprakelijk wordt gehouden. De Raad stelt vast dat het College met dit nadere besluit niet geheel is tegemoetgekomen aan het bezwaar van appellanten tegen het besluit van 3 oktober 2008, zodat het nadere besluit met toepassing van de artikelen 6:18, 6:19, eerste lid, en 6:24 van de Awb, bij het geding in hoger beroep wordt betrokken.
3. In de zienswijze van appellanten is opgemerkt dat het College in de teruggevorderde bedragen over het jaar 2005 ten onrechte de premies ZFW heeft verwerkt. Daarbij is aangetekend dat het College in de rapportage met betrekking tot de berekening van de terugvordering heeft aangegeven dat deze premies moeten worden teruggevorderd bij het UWV en niet bij appellanten. Het College heeft in zijn reactie hierop meegedeeld dat deze opmerking juist is, en dat de vorderingen dienovereenkomstig verlaagd moeten worden. In het geval van appellante bedroeg de ZFW-premie over 2005 € 432,87, in het geval van appellant € 286,51.
4. De Raad is van oordeel dat, behoudens hetgeen onder 3 is overwogen, op juiste wijze uitvoering is gegeven aan de tussenuitspraak. De Raad zal met het oog op een definitieve beslechting van het geschil in de zaak voorzien door de bedragen van de terugvordering zelf vast te stellen.
5. De Raad komt op grond van hetgeen in de tussenuitspraak en hetgeen hiervoor onder 2 tot en met 4 is overwogen tot de onder III vermelde beslissing met betrekking tot de aangevallen uitspraak en het besluit van 20 juni 2011.
6. De Raad ziet tevens aanleiding het College te veroordelen in de proceskosten van appellanten. Deze kosten worden begroot op € 644,-- in beroep en op € 805,-- in hoger beroep (op basis van 1 punt voor het hoger beroepschrift, 1 punt voor het bijwonen van de zitting en 0,5 punt voor het indienen van de zienswijze over het besluit van 20 juni 2011).
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 3 oktober 2008 gegrond;
Vernietigt het besluit van 3 oktober 2008 voor zover het betreft de terugvordering en de mede-aansprakelijkstelling;
Verklaart het beroep tegen het besluit van 20 juni 2011 gegrond en vernietigt dat besluit voor zover bij dat besluit van appellanten bedragen aan ZFW-premie over 2005 zijn teruggevorderd;
Stelt het bedrag van de terugvordering van de bijstand van appellante vast op € 15.970,59, voor welk bedrag appellant mede aansprakelijk is;
Stelt het bedrag van de terugvordering van de bijstand van appellant vast op € 6.598,95, voor welk bedrag appellante mede aansprakelijk is;
Veroordeelt het College in de proceskosten van appellanten tot een bedrag van € 1.449,--; Bepaalt dat het College aan appellanten het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van in totaal € 149,-- vergoedt.
Deze uitspraak is gedaan door C. van Viegen als voorzitter en J.M.A. van der Kolk-Severijns en N.M. van Waterschoot als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 27 september 2011.
(get.) C. van Viegen.
(get.) R.L.G. Boot.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.
HD