ECLI:NL:CRVB:2011:BT7356
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor WAO-functies
Appellant ontving sinds 1 januari 2003 een WAO-uitkering vanwege een arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Het UWV trok deze uitkering per 27 november 2005 in omdat appellant niet langer arbeidsongeschikt werd geacht. Later meldde appellant zich ziek onder de Werkloosheidswet, waarna het UWV op basis van een medisch onderzoek van verzekeringsarts Klok besloot de Ziektewetuitkering per 5 januari 2009 te beëindigen, omdat appellant geschikt werd geacht voor diverse functies binnen de WAO.
Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar dit werd ongegrond verklaard door het UWV, gesteund op een rapport van de bezwaarverzekeringsarts Hovy. De rechtbank Utrecht verklaarde het beroep van appellant tegen dit besluit eveneens ongegrond, oordeelde dat het onderzoek zorgvuldig was en vond geen aanleiding om te twijfelen aan de medische beoordeling.
In hoger beroep stelde appellant dat zijn beperkingen waren toegenomen en dat hij niet in staat zou zijn om de WAO-functies te vervullen. De Raad concludeerde echter dat appellant deze toename niet met medische gegevens had onderbouwd en dat de verzekeringsartsen de toename niet konden objectiveren. De Raad bevestigde daarom het besluit van het UWV en de uitspraak van de rechtbank.
De Raad vond geen aanleiding om proceskosten toe te wijzen en bevestigde de intrekking van de Ziektewetuitkering op grond van de geschiktheid voor ten minste één WAO-functie.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.