ECLI:NL:CRVB:2011:BT7499
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging bijstandsuitkering wegens hoofdverblijf meerderjarige zoon
Appellant en zijn echtgenote ontvingen bijstand volgens de WWB. Het College verlaagde hun uitkering met 10% omdat hun meerderjarige zoon bij hen woonde en daardoor algemene kosten werden gedeeld. De zoon stond ingeschreven op een ander adres, waarop appellant bezwaar maakte en beëindiging van de verlaging vroeg.
Het College voerde huisbezoeken uit op beide adressen. Op het adres van appellant werd een volledig ingerichte kamer van de zoon aangetroffen met persoonlijke spullen, terwijl op het andere adres de zoon werd aangetroffen zonder eigen kamer of persoonlijke bezittingen. Appellant stelde dat zijn zoon vanwege ruzie niet meer thuis woonde en dat zijn spullen niet waren meegenomen, maar kon dit niet aannemelijk maken.
De Raad oordeelde dat de feitelijke woonsituatie leidend is voor het hoofdverblijf en dat appellant de bewijslast draagt om aan te tonen dat de zoon niet bij hem woonde. De bevindingen van de huisbezoeken en het ontbreken van overtuigend bewijs van appellant leidden tot de conclusie dat de zoon zijn hoofdverblijf bij appellant had.
Het hoger beroep werd daarom ongegrond verklaard en de verlaging van de uitkering gehandhaafd. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De verlaging van de bijstandsuitkering met 10% wordt gehandhaafd omdat de zoon zijn hoofdverblijf bij appellant had.