ECLI:NL:CRVB:2011:BT7638
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- A.B.J. van der Ham
- J.F. Bandringa
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellante ontving sinds 1992 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). De Sociale verzekeringsbank (Svb) trok deze uitkering in over de periode januari 2002 tot mei 2007 omdat appellante volgens hen een gezamenlijke huishouding voerde met [B.]. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en bevestigde de intrekking.
In hoger beroep stelde appellante dat zij niet samenwoonde met [B.] en dat verklaringen van buurtbewoners en campingbewoners dit niet konden ondersteunen. Ook voerde zij aan dat zij onder druk was gezet tijdens het verhoor door sociaal rechercheurs en dat de rechtbank ten onrechte haar bewijsaanbod tot het horen van getuigen niet had gehonoreerd.
De Raad oordeelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding omdat appellante en [B.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden en zorg droegen voor elkaar. Dit werd onderbouwd met objectieve criteria zoals waterverbruik, gedetailleerde verklaringen van buurtbewoners en het gezamenlijke huishouden. De verklaringen van campingbewoners werden minder zwaar gewogen omdat deze gestandaardiseerd en achteraf opgesteld waren.
De Raad vond geen aanwijzingen dat appellante onrechtmatig onder druk was gezet tijdens het verhoor en wees het bewijsaanbod af omdat het niet concreet was gemaakt. Appellante had bovendien de mogelijkheid zelf getuigen mee te brengen, maar deed dit niet. De Raad bevestigde daarom het besluit van de Svb tot intrekking van de uitkering en verklaarde het hoger beroep ongegrond.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de intrekking van de nabestaandenuitkering bevestigd.