ECLI:NL:CRVB:2011:BT8304

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
14 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4781 ANW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Algemene nabestaandenwetAlgemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering nabestaandenuitkering wegens niet-verzekering ANW bij remigratie

Appellante, woonachtig in Marokko, verzocht om een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (ANW) na het overlijden van haar echtgenoot in 2002. Haar echtgenoot was in 1991 met een remigratie-uitkering naar Marokko vertrokken en was ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd voor de ANW.

De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde de uitkering omdat de echtgenoot niet verzekerd was. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond en oordeelde dat er geen aanspraak op de uitkering kon worden gemaakt, ook niet op grond van het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Marokko. Tevens werd het beroep op het vertrouwensbeginsel verworpen omdat de Svb geen rechtsplicht heeft om personen die remigreren te attenderen op vrijwillige verzekering.

In hoger beroep herhaalde appellante haar standpunt over het vertrouwensbeginsel. De Centrale Raad van Beroep onderschreef de overwegingen van de rechtbank en bevestigde dat de echtgenoot niet verzekerd was en dat de Svb niet verplicht is tot attendering op vrijwillige verzekering bij remigratie. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de nabestaandenuitkering bevestigd.

Uitspraak

10/4781 ANW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante] wonende te Marokko (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 15 juli 2010, 09/3008 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: Svb).
Datum uitspraak: 14 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. D. Schaap, advocaat te Rotterdam, hoger beroep ingesteld.
De Svb heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 september 2011.
Appellante is niet verschenen. De Svb heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.C. Bakker.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellante woont in Marokko en is vanaf 13 mei 1991 gehuwd geweest met [naam echtgenoot]. De echtgenoot van appellante, geboren in 1940, is woonachtig geweest in Nederland en op 22 februari 1991 vertrokken naar Marokko met een remigratie-uitkering. Op 3 oktober 2002 is hij in Marokko overleden. In november 2008 heeft appellante aan de Svb verzocht om een nabestaandenuitkering ingevolge de Algemene nabestaandenwet (ANW) aan haar toe te kennen.
1.2. Bij het bestreden besluit van 25 mei 2009 heeft de Svb zijn besluit van 26 januari 2009 gehandhaafd, waarbij is geweigerd een nabestaandenuitkering aan appellante toe te kennen op de grond dat haar echtgenoot ten tijde van zijn overlijden niet verzekerd was voor de ANW.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Zij heeft daartoe overwogen dat de echtgenoot van appellante noch verplicht, noch vrijwillig verzekerd was voor de ANW en dat appellante ook aan het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko geen aanspraak op een nabestaandenuitkering kan ontlenen. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan volgens de rechtbank niet slagen omdat op de Svb niet de rechtsplicht rust om personen wier verplichte verzekering is geëindigd op de mogelijkheid van vrijwillige verzekering te attenderen. Daarbij heeft zij verwezen naar de uitspraak van de Raad van 10 januari 2008 (LJN BC1676).
3. In hoger beroep herhaalt appellante haar standpunt dat sprake is van schending van het vertrouwensbeginsel omdat haar echtgenoot voorafgaand aan zijn vertrek naar Marokko niet is ingelicht over de beëindiging van zijn verplichte verzekering en de mogelijkheid van vrijwillige verzekering.
4.1. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.2. De Raad kan zich geheel vinden in hetgeen de rechtbank heeft overwogen en komt op grond van deze overwegingen tot hetzelfde oordeel als de rechtbank. Partijen verschillen er niet over van mening dat appellantes echtgenoot niet verzekerd was voor de ANW. Appellante kan aan die wet derhalve geen aanspraak ontlenen. Wat betreft het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel verwijst de Raad naar hetgeen de rechtbank daaromtrent in de aangevallen uitspraak heeft overwogen. Daaraan voegt de Raad toe, dat ook in het geval personen met een remigratie-uitkering naar een ander land vertrekken, er op de Svb geen rechtsplicht rust om hen op de mogelijkheid van vrijwillige verzekering te attenderen. Het beroep van appellante op de uitspraak van de Raad van 9 december 2005 (LJN AU8520) kan niet slagen, nu daarin niet tot een dergelijke rechtsplicht is geconcludeerd.
4.3. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door E.E.V. Lenos, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 14 oktober 2011.
(get.) E.E.V. Lenos.
(get.) N.S.A. El Hana.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip kring van verzekerden.
CVG