ECLI:NL:CRVB:2011:BT8709
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Intrekking en terugvordering toeslag wegens vermeende gezamenlijke huishouding deels vernietigd
Appellante ontving een toeslag ingevolge de Toeslagenwet vanaf 1 februari 2005. Het UWV stelde op basis van een onderzoek vast dat zij met haar ex-partner een gezamenlijke huishouding voerde, waardoor de toeslag ten onrechte was toegekend. Het UWV trok de toeslag in en vorderde het te veel betaalde bedrag terug over twee perioden: 1 februari 2005 tot 3 maart 2007 en 3 maart 2007 tot 31 december 2008.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, waarbij werd aangenomen dat sprake was van gezamenlijke huishouding over de gehele periode. In hoger beroep oordeelt de Raad dat voor de eerste periode voldoende feitelijke grondslag bestaat voor gezamenlijke huishouding, maar voor de tweede periode niet. Dit laatste is gebaseerd op een wijzigingsformulier dat appellante invulde en ondertekende, waarin zij verklaarde alleenstaand te zijn.
De Raad vernietigt het besluit voor de tweede periode, herroept de besluiten die daarop berusten en veroordeelt het UWV tot betaling van een schadevergoeding van € 500 wegens overschrijding van de redelijke termijn. Tevens wordt het UWV veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Besluit tot intrekking en terugvordering toeslag over periode 3 maart 2007 tot 1 december 2008 vernietigd en schadevergoeding toegekend.