ECLI:NL:CRVB:2011:BT8790
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vergoeding proceskosten en reiskosten bij bezwaar tegen UWV-besluit
Appellant stelde beroep in tegen een besluit van het UWV waarin slechts een vergoeding van € 644,- aan advocaatkosten werd toegekend, terwijl appellant een hoger bedrag van € 3.618,48 plus incassokosten en € 500,- aan reiskosten vorderde. De Raad overwoog dat de forfaitaire tarieven uit het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) leidend zijn en dat het hogere bedrag aan advocaatkosten geen bijzondere omstandigheid vormt om hiervan af te wijken.
Daarnaast werd het verzoek tot vergoeding van reiskosten afgewezen vanwege het ontbreken van specificatie, maar werd wel een redelijke reiskostenvergoeding van € 5,70 toegekend op basis van openbaar vervoer van het woonadres naar het UWV-kantoor. Ook werd een vergoeding van € 7,- toegekend voor reiskosten naar de rechtbank.
De Raad vernietigde de eerdere uitspraak van de rechtbank en het besluit van 10 november 2010 voor zover het de reiskostenvergoeding betrof. Het UWV werd veroordeeld tot vergoeding van in totaal € 12,70 aan proceskosten en het betaalde griffierecht van € 149,-.
De beslissing werd genomen door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 12 oktober 2011, waarbij partijen niet verschenen. De Raad benadrukte het restrictieve karakter van de forfaitaire regeling en het belang van specificatie bij kostenvergoedingen.
Uitkomst: Het UWV wordt veroordeeld tot vergoeding van beperkte proceskosten en reiskosten conform forfaitaire regeling.