ECLI:NL:CRVB:2011:BT8938
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- O.L.H.W.I. Korte
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing bijstandsuitkering wegens niet-wonen op opgegeven adres
Appellant ontving sinds 2005 een IOAZ-uitkering, die in 2008 werd ingetrokken wegens vermoedens dat hij niet woonachtig was op het opgegeven adres. Appellant vroeg daarop bijstand aan op grond van de WWB, welke werd afgewezen omdat hij niet op het opgegeven adres woonde. Na bezwaar en een gerechtelijke uitspraak die de intrekking van de IOAZ-uitkering bevestigde, bleef appellant volhouden dat hij wel op het adres woonde.
Het College voerde nader onderzoek uit, waarbij medewerkers constateerden dat appellant niet thuis was tijdens huisbezoeken en niet wilde meewerken aan inspecties. De rechtbank verklaarde de beroepen van appellant ongegrond, waarbij werd overwogen dat appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden had aangevoerd die een hernieuwde beoordeling rechtvaardigden.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de aanvraag om bijstand niet als herhaalde aanvraag kon worden aangemerkt omdat het om een andere rechtsgrondslag ging dan de IOAZ-uitkering. Desondanks was er voldoende feitelijke grondslag om te concluderen dat appellant niet op het opgegeven adres woonde. De Raad bevestigde dat appellant geen bijzondere omstandigheden had aangetoond die bijstand met terugwerkende kracht rechtvaardigen en dat hij niet aannemelijk had gemaakt dat hij aan de voorwaarden voor bijstand voldeed.
Daarmee werd het hoger beroep van appellant afgewezen en de uitspraak van de rechtbank bevestigd. Het verzoek om bijstand werd terecht geweigerd omdat het College het recht op bijstand niet kon vaststellen zonder bewijs van woonplaats op het opgegeven adres.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig is op het opgegeven adres.