ECLI:NL:CRVB:2011:BT8964

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 oktober 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6589 WIA
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Weigering van WIA-uitkering en geschiktheid voor geduide functies

In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, waarin zijn aanvraag voor een WIA-uitkering werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep heeft op 21 oktober 2011 uitspraak gedaan. Appellant had op 22 mei 2008 een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend, maar het Uwv heeft op 3 juli 2008 besloten dat hij geen recht had op deze uitkering, omdat hij meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen. Dit besluit werd later door het Uwv bevestigd na bezwaar van appellant.

De rechtbank heeft in een eerdere zitting deskundigen ingeschakeld om de situatie van appellant te beoordelen. De cardioloog C.J.H.J. Kirchhof heeft op 20 januari 2010 gerapporteerd over de gezondheidstoestand van appellant, waarna de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) door de bezwaarverzekeringsarts is aangepast. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald en betoogd dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat de geduide functies te belastend zijn.

De Raad heeft de argumenten van appellant overwogen, maar kwam tot de conclusie dat er geen aanleiding was om de vastgestelde beperkingen in de FML te betwijfelen. De Raad oordeelde dat de geduide functies aan de schatting ten grondslag konden worden gelegd en dat appellant voldeed aan de opleidingsvereisten. De rechtbank had het beroep van appellant terecht ongegrond verklaard, en het hoger beroep van appellant werd afgewezen. De Raad zag geen reden voor een proceskostenveroordeling.

De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank en onderstreept de noodzaak van voldoende bewijs voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. De Raad benadrukt dat de belasting van de functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellant valt, en dat de deskundigenrapportages voldoende onderbouwing bieden voor de genomen besluiten.

Uitspraak

10/6589 WIA
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 27 oktober 2010, 09/1616 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: het Uwv).
Datum uitspraak: 21 oktober 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. I.G.M. van Gorkum, advocaat te Den Haag, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 september 2011.
Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. Van Gorkum. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. W. de Rooy-Bal.
II. OVERWEGINGEN
1. Het Uwv heeft op 22 mei 2008 een aanvraag voor een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA) van appellant ontvangen.
2.1 Bij besluit van 3 juli 2008 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij per 20 augustus 2007 geen recht heeft op een WIA-uitkering, onder de overweging dat uit de rapportage van de arbeidsdeskundige blijkt dat hij meer dan 65% kan verdienen van het loon dat hij verdiende voordat hij ziek werd.
2.2. Bij het besluit van 27 januari 2009 is het bezwaar van appellant tegen het besluit van 3 juli 2008 door het Uwv ongegrond verklaard.
3.1. De rechtbank heeft ter zitting van 2 juli 2009 het onderzoek geschorst en heeft cardioloog C.J.H.J. Kirchhof als deskundige benoemd. Deze heeft bij rapportage van 20 januari 2010 zijn bevindingen bekend gemaakt.
3.2. Bezwaarverzekeringsarts R.A. Admiraal heeft naar aanleiding van de rapportage van de cardioloog de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) aangepast. Bezwaararbeidsdeskundige J.M.H. Veugelaers heeft de arbeidsmogelijkheden opnieuw onderzocht na raadpleging van het Claimbeoordelings- en Borgingssysteem (CBBS).
3.3. Bij gewijzigde beslissing op bezwaar van 19 april 2010 heeft het Uwv aan appellant meegedeeld dat hij per 20 augustus 2007 wel recht heeft op een WIA-uitkering.
Zijn loonwaarde is zodanig dat hij voor 35 tot 80% arbeidsongeschikt moet worden beschouwd. Het bezwaar van appellant heeft het Uwv alsnog gegrond verklaard, met vergoeding van de kosten in bezwaar.
3.4. De rechtbank heeft het beroep van appellant tegen het besluit van 27 januari 2009 niet-ontvankelijk verklaard en het beroep tegen het besluit van 19 april 2010 ongegrond verklaard met veroordeling van proceskosten en vergoeding van griffierecht.
De rechtbank ziet geen reden om aan de zorgvuldigheid van het onderzoek van cardioloog Kirchhof te twijfelen. De bezwaarverzekeringsarts heeft de FML aangepast aan de hand van de conclusies van de deskundige, behoudens één item. De bezwaarverzekeringsarts heeft naar het oordeel van de rechtbank afdoende gemotiveerd waarom hij het niet noodzakelijk heeft geacht item 1.2 in de FML te wijzigen. De belasting van de door de bezwaararbeidsdeskundige geduide functies medewerker publiekservice, wikkelaar en medewerker linnenkamer, past volgens de rechtbank binnen de vastgestelde belastbaarheid. De rechtbank verwijst naar de rapportage van de bezwaararbeidsdeskundige van 3 maart 2010.
4. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt in essentie herhaald. Hij acht zichzelf volledig arbeidsongeschikt. Item 1.2 had ook beperkt geacht moeten worden op de FML volgens de deskundige, zowel ten aanzien van de concentratie alsook ten aanzien van deelname aan gemotoriseerd verkeer. Appellant voldoet niet aan de opleidingseis van een VMBO-diploma bij de functie medewerker publiekservice. Bovendien zijn de functies volgens appellant te belastend.
5.1. De Raad overweegt het volgende.
5.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd heeft de Raad niet tot een ander oordeel gebracht dan het in de aangevallen uitspraak neergelegde oordeel van de rechtbank. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat er geen aanleiding is om de vastgestelde beperkingen in de FML onjuist te achten. Blijkens het rapport van de deskundige is sprake van een beperkte inspanningstolerantie. Dit geeft echter geen aanleiding voor het aannemen van cognitieve beperkingen omdat appellant wel de aandacht kan vestigen op druk stadsverkeer. Evenmin geeft dit aanleiding voor het aannemen van een verdere beperking op het punt vervoer aangezien noch Kirchhof noch de bezwaarverzekeringsarts dit nodig acht. In hoger beroep heeft appellant geen nieuwe medische gegevens overgelegd die aanleiding geven voor twijfel aan de door de bezwaarverzekeringsarts vastgestelde beperkingen.
5.3. Eveneens is de Raad het eens met het oordeel van de rechtbank dat de geduide functies aan de schatting ten grondslag konden worden gelegd. De bezwaararbeidsdeskundige heeft in de rapportage van 3 maart 2010 voldoende gemotiveerd aangegeven dat de belasting van de functies de belastbaarheid van appellant voor arbeid niet overschrijdt. Appellant heeft in Egypte een technisch universitaire opleiding afgerond, hetgeen minimaal gelijk is te stellen aan een VMBO-diploma, zodat appellant ook voldoet aan het opleidingsvereiste in de functie medewerker publiekservice.
5.4. De Raad is gelet op hetgeen is overwogen in 5.2 en 5.3 van oordeel dat de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard. Het hoger beroep slaagt niet.
6. De Raad ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door I.M.J. Hilhorst-Hagen, in tegenwoordigheid van K.E. Haan als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 oktober 2011.
(get.) I.M.J. Hilhorst-Hagen.
(get.) K.E. Haan.