ECLI:NL:CRVB:2011:BT8964
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering van WIA-uitkering en geschiktheid voor geduide functies
In deze zaak gaat het om het hoger beroep van appellant tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage, waarin zijn aanvraag voor een WIA-uitkering werd afgewezen. De Centrale Raad van Beroep heeft op 21 oktober 2011 uitspraak gedaan. Appellant had op 22 mei 2008 een aanvraag voor een WIA-uitkering ingediend, maar het Uwv heeft op 3 juli 2008 besloten dat hij geen recht had op deze uitkering, omdat hij meer dan 65% van zijn oude loon kon verdienen. Dit besluit werd later door het Uwv bevestigd na bezwaar van appellant.
De rechtbank heeft in een eerdere zitting deskundigen ingeschakeld om de situatie van appellant te beoordelen. De cardioloog C.J.H.J. Kirchhof heeft op 20 januari 2010 gerapporteerd over de gezondheidstoestand van appellant, waarna de Functionele Mogelijkhedenlijst (FML) door de bezwaarverzekeringsarts is aangepast. In hoger beroep heeft appellant zijn standpunt herhaald en betoogd dat hij volledig arbeidsongeschikt is en dat de geduide functies te belastend zijn.
De Raad heeft de argumenten van appellant overwogen, maar kwam tot de conclusie dat er geen aanleiding was om de vastgestelde beperkingen in de FML te betwijfelen. De Raad oordeelde dat de geduide functies aan de schatting ten grondslag konden worden gelegd en dat appellant voldeed aan de opleidingsvereisten. De rechtbank had het beroep van appellant terecht ongegrond verklaard, en het hoger beroep van appellant werd afgewezen. De Raad zag geen reden voor een proceskostenveroordeling.
De uitspraak bevestigt de eerdere beslissing van de rechtbank en onderstreept de noodzaak van voldoende bewijs voor het aannemen van arbeidsongeschiktheid. De Raad benadrukt dat de belasting van de functies binnen de vastgestelde belastbaarheid van appellant valt, en dat de deskundigenrapportages voldoende onderbouwing bieden voor de genomen besluiten.