ECLI:NL:CRVB:2011:BT8974
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Weigering van WAJONG-uitkering op basis van diagnose ME/CVS en arbeidsongeschiktheid
In deze zaak gaat het om een hoger beroep van appellante tegen de uitspraak van de rechtbank Middelburg, waarin de weigering van haar WAJONG-uitkering door het Uwv werd bevestigd. Appellante, geboren op 27 januari 1986, had op 16 februari 2009 een uitkering aangevraagd op basis van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong). Het Uwv weigerde deze aanvraag op 5 juni 2009, omdat appellante niet aan de vereisten voldeed; zij was vanaf haar zeventiende verjaardag niet 52 weken onafgebroken arbeidsongeschikt en was in ieder geval vanaf 27 januari 2004 minder dan 25% arbeidsongeschikt.
Na een ongegrond verklaard bezwaar op 9 december 2009, ging appellante in beroep bij de rechtbank. De rechtbank oordeelde dat het medische onderzoek door het Uwv voldoende was en dat er geen reden was om een deskundige in te schakelen. Appellante voerde in hoger beroep aan dat er onvoldoende rekening was gehouden met haar medische beperkingen en dat het Uwv het Protocoll CVS niet had gevolgd. Ze overhandigde een brief van internist dr. L. Henckaerts ter ondersteuning van haar standpunt.
De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat de argumenten van appellante in hoger beroep geen nieuwe gezichtspunten boden ten opzichte van de eerdere procedure. De Raad bevestigde dat het Uwv adequaat had gehandeld en dat er geen reden was om meer beperkingen of een urenbeperking aan te nemen. De Raad concludeerde dat het hoger beroep niet slaagde en bevestigde de uitspraak van de rechtbank, zonder aanleiding voor een proceskostenveroordeling.