ECLI:NL:CRVB:2011:BU1496
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing aanvraag bijstand wegens onvoldoende bewijs verblijf op opgegeven adres
Appellant diende op 2 november 2009 een aanvraag in voor bijstand op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), waarbij hij verklaarde te wonen op een specifiek adres en een kamer te huren. Het College van burgemeester en wethouders van Utrecht weigerde de aanvraag na onderzoek, omdat appellant bij huisbezoeken vaak niet werd aangetroffen en zijn woonplaats niet aannemelijk was.
De voorzieningenrechter verklaarde het beroep van appellant tegen deze afwijzing ongegrond. In hoger beroep betoogde appellant dat hij wel degelijk op het opgegeven adres verbleef en verwees naar eerdere periodes waarin hij bijstand ontving. De Raad oordeelde echter dat de woon- en leefsituatie essentieel is voor het recht op bijstand en dat appellant onvoldoende bewijs leverde van zijn verblijf op het adres tijdens de aanvraagperiode.
De Raad nam mee dat tijdens huisbezoeken en gesprekken met appellant en zijn huisbaas tegenstrijdige verklaringen werden gegeven, dat kamers genummerd waren terwijl appellant dit ontkende, en dat er geen persoonlijke bezittingen van appellant werden aangetroffen. Hierdoor kon niet worden vastgesteld dat appellant woonde op het opgegeven adres, en hij had niet voldaan aan de inlichtingenverplichting uit artikel 17 WWB Pro.
Gelet hierop bevestigde de Raad de eerdere uitspraak en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijstand wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonde op het opgegeven adres.