ECLI:NL:CRVB:2011:BU1918
Centrale Raad van Beroep
- Voorlopige voorziening
- Rechtspraak.nl
Afwijzing voorlopige voorziening bedrijfskrediet wegens gebrek aan levensvatbaarheid onderneming
Verzoeker diende een aanvraag in voor een bedrijfskrediet op grond van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen 2004 (Bbz 2004) vanwege een voorgenomen samenwerking tussen zijn bedrijf en een ander bedrijf. Het College vroeg advies aan SBMO en het Instituut voor het Midden- en Kleinbedrijf (IMK) over de levensvatbaarheid van het bedrijf. Beide adviseerden negatief, stellende dat er onvoldoende perspectief en een te grote kredietbehoefte was.
Het College wees de aanvraag af en verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna verzoeker hoger beroep instelde en tevens een voorlopige voorziening vroeg. De voorzieningenrechter oordeelde dat verzoeker en zijn echtgenote reeds bijstand ontvingen, waardoor er geen onverwijlde spoed was voor het toekennen van een Bbz-uitkering voor levensonderhoud. Wel werd het belang bij het bedrijfskapitaal als spoedeisend erkend.
De voorzieningenrechter vond echter geen reden om te twijfelen aan de adviezen van SBMO en IMK, noch aan de onafhankelijkheid van het onderzoek. Verzoeker had geen objectief tegenadvies overgelegd en zijn optimistische verwachtingen waren onvoldoende. Ook was het bedrijf nog niet operationeel. Daarom werd het verzoek om voorlopige voorziening afgewezen. De rechter wees op de mogelijkheid om na de uitkomst van een lopende klachtenprocedure tegen het IMK-rapport versneld behandeling van de bodemzaak te vragen.
Uitkomst: Het verzoek om voorlopige voorziening voor bedrijfskrediet wordt afgewezen wegens gebrek aan spoedeisend belang en onvoldoende aannemelijkheid van levensvatbaarheid.