ECLI:NL:CRVB:2011:BU1931
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging beëindiging ziekengeld wegens geschiktheid voor arbeid
Appellant meldde zich arbeidsongeschikt wegens hoofdpijnklachten en ontving een Ziektewetuitkering na intrekking van zijn WAO-uitkering. Het UWV beëindigde de ZW-uitkering omdat appellant vanaf 13 januari 2009 geschikt werd geacht voor arbeid. Appellant maakte bezwaar, dat werd afgewezen na een herbeoordeling door een bezwaarverzekeringsarts.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, stellende dat het medisch onderzoek zorgvuldig was en dat appellant geschikt was voor arbeid. Appellant voerde in hoger beroep dezelfde gronden aan, zonder nieuwe medische stukken te overleggen.
De Raad oordeelde dat onder 'zijn arbeid' de laatstelijk feitelijk verrichte arbeid wordt verstaan, tenzij de verzekerde na wachttijd blijvend ongeschikt is voor dat werk en niet in enig werk is hervat; dan geldt de WAO-classificatie. Omdat appellant geschikt is voor ten minste één WAO-functie, is geen ongeschiktheid in de zin van de ZW aanwezig.
De Raad bevestigde de uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen en de beëindiging van de ziekengelduitkering wordt bevestigd.