ECLI:NL:CRVB:2011:BU2022
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- R.H.M. Roelofs
- O.L.H.W.I. Korte
- E.J. Govaers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstandsuitkering wegens niet opgegeven vermogen
Appellante ontving bijstand vanaf 27 juni 2002 tot en met 23 december 2003 en vanaf 5 april 2004 op grond van de WWB. Na een signaal van het Inlichtingenbureau in februari 2007 over niet opgegeven bankrekeningen, concludeerde het College dat haar vermogen de vrij te laten grens overschreed. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken en een bedrag van €5.741,81 teruggevorderd.
Appellante voerde aan dat zij meer schulden had, waaronder twee onderhandse leningen en een studieschuld, die in mindering gebracht hadden moeten worden. De Raad oordeelde dat de studieschuld nog niet vaststond en terecht niet was meegenomen. De leningen konden niet worden aangetoond met voldoende bewijs en waren bovendien niet aannemelijk gegeven de vermogenssituatie.
De Raad bevestigde daarom het besluit van het College en de uitspraak van de rechtbank, en wees het hoger beroep van appellante af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering worden bevestigd wegens niet aannemelijke schulden en overschrijding van de vermogensgrens.