ECLI:NL:CRVB:2011:BU2062
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- E.J. Govaers
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bijzondere bijstand voorbereidingskrediet wegens ontbreken noodzakelijke kosten en geen voorliggende voorziening
Appellant, gehuwd met een persoon die een Wajong-uitkering en toeslag ontvangt, vroeg bijzondere bijstand aan voor een voorbereidingskrediet op grond van de WWB. Het College van burgemeester en wethouders van Maastricht wees deze aanvraag af omdat geen sprake was van noodzakelijke kosten. De rechtbank vernietigde het besluit, maar liet de rechtsgevolgen in stand omdat het Bbz 2004 als voorliggende voorziening werd beschouwd en geen dringende redenen voor bijstand bestonden.
In hoger beroep stelde appellant dat het Bbz 2004 geen passende voorliggende voorziening is en dat er sprake is van ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. De Raad oordeelde dat het Bbz 2004 geen voorziening buiten de WWB is en dus geen voorliggende voorziening in de zin van de WWB. Verder concludeerde de Raad dat de kosten niet noodzakelijk zijn omdat het gezin voldoende inkomen heeft om in de noodzakelijke kosten te voorzien.
De Raad verwierp het beroep van appellant op bijzondere omstandigheden en ongerechtvaardigde ongelijke behandeling. De aangevallen uitspraak werd bevestigd met verbetering van gronden, en de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit konden in stand blijven. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: De aanvraag om bijzondere bijstand voor een voorbereidingskrediet wordt afgewezen omdat geen sprake is van noodzakelijke kosten en het Bbz 2004 geen voorliggende voorziening is.