ECLI:NL:CRVB:2011:BU2133
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Geen recht op bijstand tijdens detentie wegens ontbreken acute noodsituatie
Appellant, die bijstand ontving op grond van de Wet werk en bijstand (WWB), was gedurende de periode van 18 juli 2008 tot 7 augustus 2008 gedetineerd. Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlaardingen besloot daarom dat appellant over deze periode geen recht had op bijstand. Dit besluit werd door de rechtbank Rotterdam bevestigd nadat het bezwaar ongegrond was verklaard.
Appellant stelde in hoger beroep dat er een uitzondering op dit besluit gemaakt had moeten worden op grond van artikel 16, eerste lid, van de WWB, dat bijstand kan worden verleend bij zeer dringende redenen. De Centrale Raad van Beroep oordeelde dat hiervoor een acute noodsituatie vereist is, waarbij de behoeftige omstandigheden niet op andere wijze kunnen worden verholpen.
De Raad stelde vast dat appellant geen acute noodsituatie kon aantonen. Zijn verminderde psychische belastbaarheid en deelname aan een zorgtraject, alsmede de toepassing van de Wet Schuldsanering Natuurlijke Personen, boden hiervoor onvoldoende grond. Ook de woonkosten en kosten voor opvang van zijn kat na detentie waren niet voldoende om een uitzondering te rechtvaardigen.
Daarom werd het hoger beroep ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd. Er werd geen veroordeling in de proceskosten opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en het besluit dat appellant tijdens detentie geen recht heeft op bijstand wordt bevestigd.