ECLI:NL:CRVB:2011:BU3267
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.F. Bandringa
- O.L.H.W.I. Korte
- C.G. Kasdorp
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding zonder melding
Appellante ontving bijstand sinds 1996 en werd in 2010 onderzocht vanwege vermoedens dat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [T.], zonder dit te melden. Uit onderzoek en verklaringen bleek dat [T.] vier dagen per week bij appellante verbleef en daar sliep, wat werd bevestigd door beide partijen en de moeder van [T.].
De Raad oordeelde dat sprake was van een gezamenlijke huishouding in de zin van artikel 3, derde lid, WWB, waarbij wederzijdse zorg werd vastgesteld. Dit bleek uit gezamenlijke huishoudelijke taken, gedeelde boodschappen en verzorging van appellante door [T.]. De stelling van appellante dat er slechts eenzijdige zorg was, werd verworpen.
Omdat appellante de gezamenlijke huishouding niet had gemeld, schond zij haar inlichtingenverplichting, waardoor het College bevoegd was de bijstand vanaf 1 januari 2010 in te trekken. Het hoger beroep van appellante werd ongegrond verklaard en de aangevallen uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de bijstandsuitkering wordt bevestigd wegens het voeren van een gezamenlijke huishouding zonder melding.