ECLI:NL:CRVB:2011:BU4314
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking nabestaandenuitkering wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds januari 1998 een nabestaandenuitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet (Anw). In 2009 trok de Sociale verzekeringsbank (Svb) deze uitkering met terugwerkende kracht per 1 januari 2006 in, omdat appellant vanaf december 2005 een gezamenlijke huishouding zou voeren met mevrouw V. Appellant voerde bezwaar aan, maar de rechtbank verklaarde dit ongegrond. In hoger beroep betwistte appellant dat sprake was van wederzijdse zorg en stelde dat zijn verklaring was verdraaid.
De Raad stelde vast dat appellant en V. sinds december 2005 samenwoonden in Spanje en blijk gaven van wederzijdse zorg, zoals gezamenlijke huishoudelijke taken, gezamenlijke vakanties en financiële verstrengeling. De verklaring van appellant, afgelegd in aanwezigheid van Svb-medewerkers en ondertekend door hem, vormde een betrouwbare basis voor het besluit. De Raad verwierp het betoog dat het onderzoek te summier was en dat intrekking in strijd was met rechtszekerheid en evenredigheid, mede omdat appellant zijn mededelingsplicht had geschonden.
De Raad bevestigde daarom het besluit van de Svb en de uitspraak van de rechtbank. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. Tegen deze uitspraak staat cassatie open bij de Hoge Raad der Nederlanden.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen en intrekking van de nabestaandenuitkering bevestigd.