ECLI:NL:CRVB:2011:BU4645

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
16 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-6783 ZW
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 19 ZWArt. 8:75 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging weigering Ziektewetuitkering wegens geschiktheid voor passende functies

Appellante verzocht om een Ziektewetuitkering, welke door het UWV werd geweigerd omdat zij niet langer ongeschikt werd geacht voor passende functies die eerder in het kader van de WAO-beoordeling waren vastgesteld.

De rechtbank verklaarde het bezwaar tegen deze weigering ongegrond, waarbij werd geoordeeld dat de beoordeling van de geschiktheid voor arbeid gebaseerd moest zijn op de eerder vastgestelde functies en dat er geen aanwijzingen waren dat het medisch onderzoek onzorgvuldig was uitgevoerd.

In hoger beroep heeft de Centrale Raad van Beroep deze uitspraak bevestigd. De Raad oordeelde dat de aanvullende medische informatie die appellante aanvoerde niet tot een ander oordeel leidt en dat de bezwaarverzekeringsarts adequaat heeft gereageerd op de medische gegevens. Er waren geen gronden om het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts onjuist te achten.

De Raad concludeerde dat de aangevallen uitspraak gehandhaafd blijft en dat er geen aanleiding is om toepassing te geven aan bijzondere bestuursrechtelijke bepalingen. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de weigering van de Ziektewetuitkering wordt bevestigd.

Uitspraak

10/6783 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 3 november 2010, 10/354 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 16 november 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. F. Kellouh, advocaat te ’s-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 22 augustus 2011 heeft mr. Kellouh op het verweerschrift gereageerd en bij brieven van 23 september 2011 heeft zij nog nadere informatie overgelegd.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2011. Appellante is verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J.J. Grasmeijer.
II. OVERWEGINGEN
1.1. De Raad gaat uit van de feiten die de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft vermeld. De Raad volstaat hier met het volgende.
1.2. Bij besluit van 14 juli 2009 heeft het Uwv appellante met ingang van 13 juli 2009 uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW) geweigerd op de grond dat zij niet (meer) wegens ziekte of gebrek ongeschikt werd geacht om ten minste één van de haar (destijds in het kader van de arbeidsongeschiktheidsbeoordeling) voorgehouden functies te vervullen.
1.3. Bij besluit van 7 december 2009 is het bezwaar van appellante tegen het besluit van 14 juli 2009 met verwijzing naar het standpunt van de bezwaarverzekeringsarts F.M. Brouwer, zoals neergelegd in zijn rapport van 3 december 2009, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 7 december 2009 (hierna: bestreden besluit) ongegrond verklaard. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat ingevolge de vaste jurisprudentie van de Raad in dit geval als ’zijn arbeid’ in de zin van artikel 19 van Pro de ZW heeft te gelden de arbeid zoals die nader is geconcretiseerd bij de - voorafgaande - beoordeling van de aanspraak op een uitkering ingevolge de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (Wet WIA), met dien verstande dat onder zijn arbeid in een dergelijk geval dient te worden verstaan elk van die functies afzonderlijk. De rechtbank heeft daaraan toegevoegd dat indien tegen die beoordeling ingevolge de Wet WIA geen rechtsmiddel is aangewend, de passendheid van die functies als zodanig hier niet meer ter discussie staat. De rechtbank heeft geoordeeld dat er geen aanknopingspunten zijn om het (bezwaar)verzekeringsgeneeskundig onderzoek onzorgvuldig of onvolledig te achten dan wel de conclusies daarvan niet te volgen. De bezwaarverzekeringsarts heeft in beroep afdoende gereageerd op de door appellante ingebrachte medische informatie. De rechtbank heeft daarbij met verwijzing naar de jurisprudentie van de Raad, onder meer de uitspraak van 28 december 2001
- LJN AD9645 -, nog overwogen dat aan de rapporten van de orthomanueel arts M. Sickesz en van M. van der Zweep-Blom, verbonden aan de praktijk voor energetische therapie, healing en coaching, niet die betekenis kan worden gehecht die appellante daaraan toegekend wenst te zien.
3. De Raad, oordelend over hetgeen appellante tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt als volgt.
3.1. De Raad komt wat betreft de maatstaf arbeid als bedoeld in artikel 19 van Pro de ZW niet tot een ander oordeel dan de rechtbank en stelt zich achter de - hiervoor onder 2 kort weergegeven - overwegingen van de rechtbank in de aangevallen uitspraak.
3.2. Ten aanzien van de medische grondslag van het bestreden besluit heeft de rechtbank in overeenstemming met de vaste jurisprudentie van de Raad terecht geoordeeld dat aan de bevindingen van de hiervoor genoemde (alternatieve) genezers niet die betekenis kan worden gehecht die appellante daaraan toegekend wenst te zien.
3.3. Over de in hoger beroep door appellante ingebrachte (medische) informatie oordeelt de Raad allereerst dat de brief van 4 februari 2011 van de huisarts I. von Asmuth-Höppener geen nieuwe medische informatie bevat en dat die huisarts verwijst naar eerder ingezonden brieven van haar voorganger, huisarts R.P.J.M. Crijns, waarop door de bezwaarverzekeringsarts naar het oordeel van de Raad adequaat is gereageerd. De Raad overweegt voorts dat de nieuwe medische informatie, in het bijzonder de informatie van Parnassia psycho-medisch centrum en van PsyQ psycho-medische programma’s, niet tot een ander oordeel leidt. Zoals de gemachtigde van het Uwv ter zitting heeft toegelicht heeft de bezwaarverzekeringsarts F.L. van Duijn naar aanleiding van die medische informatie aangegeven dat dit geen nieuw licht op de zaak werpt ten aanzien van de datum in geding 13 juli 2009. De Raad heeft geen aanknopingspunten om dit standpunt van de bezwaarverzekeringsarts voor onjuist te houden. Ook het chronologische overzicht van appellante leidt de Raad, ofschoon de Raad begrip heeft voor de moeilijke situatie waarin appellante zich bevond en bevindt, niet tot een andere conclusie met betrekking tot de datum in geding.
3.4. Hetgeen hiervoor onder 3.1 tot en met 3.3 is overwogen brengt de Raad tot de slotsom dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak derhalve voor bevestiging in aanmerking komt.
4. De Raad acht geen termen aanwezig om toepassing te geven aan artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van N.S.A. El Hana als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 16 november 2011.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) N.S.A. El Hana.
JL