ECLI:NL:CRVB:2011:BU4814
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en afwijzing bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en onvoldoende medewerking
Appellante ontving bijstand sinds 2004 en vroeg in 2008 hulp aan voor woonruimte. De Commissie Sociale Zekerheid startte een onderzoek naar haar woonsituatie, waarbij bleek dat appellante geen medewerking verleende aan een huisbezoek op het opgegeven adres. Hierdoor werd de bijstand ingetrokken per juni 2009. Appellante maakte bezwaar en vroeg opnieuw bijstand aan, maar ook deze aanvraag werd afgewezen wegens onvoldoende inlichtingen.
De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, oordeelde dat er sprake was van een gezamenlijke huishouding met haar partner op een bedrijfsadres en dat appellante onjuiste informatie had verstrekt. In hoger beroep betoogde appellante dat zij niet samenwoonde met haar partner en op het opgegeven adres verbleef.
De Raad concludeerde dat appellante en haar partner wel degelijk een gezamenlijke huishouding voerden, gebaseerd op getuigenverklaringen en huurcontracten. Tevens oordeelde de Raad dat appellante onvoldoende duidelijkheid gaf over haar woonsituatie tijdens de aanvraagperiode, mede door tegenstrijdige verklaringen en het ontbreken van persoonlijke bezittingen op het opgegeven adres.
De Raad bevestigde daarom de intrekking van de bijstand en de afwijzing van de nieuwe aanvraag. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd. De uitspraak werd gedaan door rechter E.J.M. Heijs op 8 november 2011.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking van de bijstand en de afwijzing van de nieuwe aanvraag wegens gezamenlijke huishouding en onvoldoende medewerking.