ECLI:NL:CRVB:2011:BU4816
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Afwijzing hoger beroep bijstand wegens niet aannemelijk gemaakte woonplaats
Appellant heeft bij het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Westland een aanvraag om bijstand ingediend die is afgewezen omdat niet is vastgesteld dat hij woonachtig was op het opgegeven adres. Na bezwaar en een eerdere uitspraak van de rechtbank, heeft appellant hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad heeft de zaak beoordeeld aan de hand van drie onderscheiden periodes met verschillende toetsingskaders, waarbij appellant geen nieuwe feiten of omstandigheden heeft aangevoerd die het College zouden moeten bewegen het eerdere besluit te herzien. Appellant voerde aan dat zijn frequente afwezigheid te verklaren was door familiebezoek en een behandeltraject, maar dit werd onvoldoende geacht om zijn woonplaats aan te tonen.
De Raad concludeerde dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij gedurende de relevante perioden op het opgegeven adres woonde. Dit werd onderbouwd door het ontbreken van aanwezigheid bij controles en verklaringen van appellant zelf. Bijzondere omstandigheden voor bijstandsverlening met terugwerkende kracht werden niet gesteld.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde daarom de eerdere uitspraak van de rechtbank en wees het hoger beroep af. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt afgewezen omdat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij woonachtig was op het opgegeven adres.