ECLI:NL:CRVB:2011:BU5116
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Vaststelling voortgezet verzekeringsrecht en kinderbijslag onder AKW na AOW-pensioen
Appellant, die in het verleden in Nederland werkte en begin jaren '90 terugkeerde naar Marokko, heeft meerdere keren een aanvraag om kinderbijslag ingediend die werden afgewezen omdat hij niet als verzekerde onder de Algemene Kinderbijslagwet (AKW) werd aangemerkt. De Sociale verzekeringsbank (Svb) weigerde aanvankelijk kinderbijslag vanaf het vierde kwartaal van 1999, omdat appellant niet voortgezet verzekerd zou zijn geweest.
Na een arrest van de Hoge Raad in april 2011, waarin een theoretisch recht op kinderbijslag bepalend werd geacht voor voortgezet verzekeringsrecht, heeft de Svb haar standpunt aangepast en erkend dat appellant voortgezet verzekerd was van het eerste kwartaal 2000 tot 1 juli 2004. Vanaf die datum ontvangt appellant een AOW-pensioen van minder dan 35% van het minimumloon, waardoor hij niet langer als verzekerde onder de AKW kan worden beschouwd.
De Raad vernietigt de eerdere uitspraak van de rechtbank Amsterdam en verklaart het beroep tegen het eerste besluit van de Svb gegrond. Het beroep tegen het tweede besluit wordt ongegrond verklaard. Tevens wordt de Svb veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten van appellant, inclusief het betaalde griffierecht.
De zaak betreft de toepassing van artikel 27 van Pro het Besluit uitbreiding en beperking kring van verzekerden volksverzekeringen 1999 (KB 746) en de beoordeling van het recht op kinderbijslag met terugwerkende kracht, waarbij het moment van veiligstellen van aanspraken centraal staat.
Uitkomst: Het beroep tegen het eerste besluit van de Svb wordt gegrond verklaard en het beroep tegen het tweede besluit ongegrond; de Svb wordt veroordeeld tot vergoeding van proceskosten.