ECLI:NL:HR:2011:BP4794
Hoge Raad
- Cassatie
- J.W. van den Berge
- J.W.M. Tijnagel
- A.H.T. Heisterkamp
- M.W.C. Feteris
- R.J. Koopman
- Rechtspraak.nl
Uitspraak over recht op kinderbijslag en verzekeringsplicht na vervallen artikel 26 KB 746
Belanghebbende, een persoon afkomstig uit Marokko die sinds 1982 in Nederland werkte en in 1991 naar Marokko terugkeerde, vroeg kinderbijslag aan die door de Sociale Verzekeringsbank (SVB) werd afgewezen. De rechtbank en de Centrale Raad bevestigden deze afwijzing. De Hoge Raad stelde in cassatie de vraag centraal of belanghebbende voorafgaand aan het vervallen van artikel 26 KB Pro 746 per 1 januari 2000 recht had op kinderbijslag.
De Hoge Raad oordeelde dat het begrip "recht had op kinderbijslag" in artikel 27 KB Pro 746 zo moet worden uitgelegd dat het gaat om het voldoen aan de materiële voorwaarden van de Algemene Kinderbijslagwet (AKW), ongeacht of het recht op kinderbijslag op aanvraag is vastgesteld. Dit betekent dat het recht van rechtswege bestaat als aan de voorwaarden is voldaan, ook als de SVB dit niet formeel heeft vastgesteld.
De Centrale Raad was tot een andere conclusie gekomen, maar de Hoge Raad vernietigde diens uitspraak wegens een onjuiste rechtsopvatting. De zaak werd terugverwezen voor een nieuwe beoordeling van de aanvraag van belanghebbende. Tevens werd de SVB veroordeeld tot vergoeding van de proceskosten in cassatie.
Deze uitspraak verduidelijkt de uitleg van het begrip recht op kinderbijslag in het kader van de verzekeringsplicht en overgangsregelingen na het vervallen van artikel 26 KB Pro 746.
Uitkomst: Het beroep in cassatie wordt gegrond verklaard, de uitspraak van de Centrale Raad vernietigd en de zaak terugverwezen voor verdere behandeling.