ECLI:NL:CRVB:2011:BU5274
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Centrale Raad van Beroep veroordeelt UWV tot proceskostenvergoeding aan appellant en betrokkene
In deze bestuursrechtelijke procedure stond centraal de vraag of appellant, die als belanghebbende en partij in eerste aanleg aan het geding deelnam, recht had op vergoeding van zijn proceskosten. De rechtbank Breda had het beroep van betrokkene gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd, maar nagelaten een beslissing te nemen over de proceskosten van appellant ondanks diens verzoek.
Appellant stelde hoger beroep in tegen deze nalatigheid en vorderde vergoeding van zijn gemaakte kosten voor rechtsbijstand. Het UWV toonde zich bereid deze kosten alsnog te vergoeden conform het Besluit proceskosten bestuursrecht, terwijl betrokkene betwistte dat appellant als partij kon worden beschouwd en dat de rechtbank verplicht was hierover te beslissen.
De Raad oordeelde dat op grond van artikel 8:75 Awb Pro de rechtbank verplicht was een beslissing te nemen over de proceskostenveroordeling van appellant, die als partij aan het geding deelnam. Door dit na te laten was de uitspraak onvolledig en diende de Raad in de plaats van de rechtbank te beslissen.
De Raad veroordeelde het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en betrokkene in hoger beroep, begroot op respectievelijk € 655,- en € 218,-, en bepaalde dat het UWV het griffierecht van appellant in hoger beroep vergoedt. Hiermee werd de procedurekostenpositie van appellant hersteld en het belang van een volledige uitspraak bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep veroordeelt het UWV tot vergoeding van de proceskosten van appellant en betrokkene en tot vergoeding van het griffierecht van appellant.