ECLI:NL:CRVB:2011:BU5574

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
22 november 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10/1730 WWB + 10/1782 WWB
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 43 WWBArt. 44 WWB
Verwijzingen
4 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging afwijzing bijstandsaanvraag met terugwerkende kracht wegens ontbreken bijzondere omstandigheden

Appellanten hebben zich in september 2008 gemeld bij het CWI en in oktober 2008 een aanvraag om bijstand ingediend, die niet in behandeling werd genomen wegens het niet tijdig aanleveren van gevraagde gegevens. Een latere aanvraag in maart 2009 leidde tot toekenning van bijstand met ingang van die datum, maar appellanten wilden terugwerkende kracht vanaf de eerste aanvraag.

De rechtbank verklaarde het beroep tegen de ingangsdatum ongegrond, en de Centrale Raad van Beroep bevestigt deze uitspraak. De Raad overweegt dat volgens vaste rechtspraak bijstand niet wordt toegekend vóór de datum van melding bij het CWI of aanvraag, tenzij bijzondere omstandigheden dit rechtvaardigen.

Hoewel appellant medische problemen had en het adviesbureau failliet ging, acht de Raad deze omstandigheden onvoldoende om af te wijken van het uitgangspunt. Appellante had de aanvraag kunnen indienen, of een derde inschakelen. Het hoger beroep wordt verworpen en het verzoek om schadevergoeding afgewezen.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt verworpen en de ingangsdatum van de bijstand blijft 16 maart 2009.

Uitspraak

10/1730 WWB
10/1782 WWB
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[Appellant 1] en [Appellant 2], beiden wonende te [woonplaats] (hierna: appellanten),
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 10 maart 2010, 09/6241 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellanten
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente 's-Gravenhage (hierna: College)
Datum uitspraak: 22 november 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. M. Spek, advocaat te 's-Gravenhage, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
De zaak is ter behandeling aan de orde gesteld op 11 oktober 2011, waar partijen - met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Het adviesbureau van appellant is op 12 augustus 2008 failliet verklaard.
1.2. Op 24 september 2008 hebben appellanten zich gemeld bij het Centrum voor Werk en Inkomen (CWI) en op 16 oktober 2008 hebben appellanten een aanvraag om bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) ingediend. Die aanvraag is bij besluit van 25 november 2008 niet in behandeling genomen, omdat appellanten niet binnen de daartoe gestelde termijn de door het College gevraagde gegevens hebben overgelegd. Het College heeft bij besluit van 12 januari 2009 het tegen het besluit van 25 november 2008 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Tegen dit besluit hebben appellanten geen rechtsmiddel aangewend.
1.3. Appellanten hebben zich op 16 maart 2009 gemeld bij het CWI voor het doen van een nieuwe aanvraag om bijstand. Daarbij hebben zij verzocht om toekenning van bijstand met terugwerkende kracht.
1.4. Bij besluit van 15 mei 2009 heeft het College aan appellanten met ingang van 16 maart 2009 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm voor gehuwden.
1.5. Appellanten hebben tegen het besluit van 15 mei 2009 bezwaar gemaakt, omdat zij zich niet kunnen verenigen met de ingangsdatum van de bijstand. Het College heeft dit bezwaar bij besluit van 3 augustus 2009 ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 3 augustus 2009 ongegrond verklaard.
3. Appellanten hebben zich tegen de aangevallen uitspraak gekeerd. Daarbij is aangevoerd dat sprake is van bijzondere omstandigheden op grond waarvan
bijstand met ingang van de datum van de eerste aanvraag had moeten worden verleend.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Voor zover de gronden van appellanten betrekking hebben op het besluit van 12 januari 2009, waarbij het College de buitenbehandelingstelling van de aanvraag van 16 oktober 2009 heeft gehandhaafd, dienen deze onbesproken te blijven, nu dit besluit niet ter beoordeling voorligt.
4.2. Volgens vaste rechtspraak van de Raad inzake de toepassing van de artikelen 43 en 44 van de WWB wordt in beginsel geen bijstand verleend over een periode voorafgaande aan de datum waarop de melding bij het CWI heeft plaatsgevonden en/of de bijstandsaanvraag is ingediend. Van dit uitgangspunt kan worden afgeweken indien bijzondere omstandigheden dat rechtvaardigen.
4.3. De Raad is van oordeel dat van bijzondere omstandigheden in bovengenoemde zin niet is gebleken. Uit de stukken blijkt dat appellant hartproblemen heeft gehad, waarvoor hij in januari 2009 een hartoperatie heeft ondergaan. Deze medische problemen van appellant laten evenwel onverlet dat appellante voor hen beiden een aanvraag had kunnen indienen. Zou zij daartoe niet in staat zou zijn geweest, had zij bovendien een derde kunnen inschakelen om namens haar contact op te nemen met het College om een aanvraag in te dienen. Ook ziet de Raad in het faillissement van het adviesbureau van appellant en de daaruit voortvloeiende problemen en spanningen geen aanleiding om bijzondere omstandigheden in bovenbedoelde zin aan te nemen. Daarbij merkt de Raad op dat dit faillissement er niet aan in de weg heeft gestaan dat appellanten eerder op 16 oktober 2008 - na een melding bij het CWI op 24 september 2008 - bij het College een aanvraag om bijstand hebben ingediend.
4.4. Het hoger beroep slaagt niet, zodat de aangevallen uitspraak voor bevestiging in aanmerking komt. Voor een veroordeling tot schadevergoeding bestaat geen aanleiding, zodat dit verzoek moet worden afgewezen.
4.5. De Raad ziet geen aanleiding voor een veroordeling in de proceskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak;
Wijst het verzoek om vergoeding van schade af.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 22 november 2011.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) R.L.G. Boot.
IJ