ECLI:NL:CRVB:2011:BU5579
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging herziening en terugvordering Anw-uitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenplicht
Appellante ontving sinds 1990 een nabestaandenuitkering die in 1996 werd omgezet in een Anw-uitkering. Naar aanleiding van een tip van de Belastingdienst startte de Sociale verzekeringsbank (Svb) een onderzoek naar een vermoedelijke gezamenlijke huishouding met [P.]. Dit onderzoek bestond uit dossieronderzoek, verklaringen van appellante en [P.], waarnemingen en verklaringen van buurtbewoners.
De Svb schortte de uitkering op en herzag deze met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 1998 naar 30% van het minimumloon, omdat werd vastgesteld dat sprake was van gezamenlijke huishouding en wederzijdse zorg. Tevens werd een bedrag van ruim €75.000,- teruggevorderd. Appellante voerde aan dat er geen gezamenlijke huishouding was en dat de herziening onredelijk was.
De Raad oordeelt dat de onderzoeksgegevens, waaronder verklaringen van buurtbewoners en de wederzijdse zorg, voldoende bewijs vormen voor gezamenlijke huishouding. De schending van de inlichtingenplicht door appellante legitimeert de herziening en terugvordering. Er zijn geen dringende redenen om van terugvordering af te zien. Het verzoek om vergoeding van kosten en schadevergoeding wordt afgewezen.
De aangevallen uitspraak van de rechtbank Breda wordt bevestigd en het hoger beroep van appellante wordt verworpen. Er worden geen proceskosten toegekend.
Uitkomst: Hoger beroep wordt verworpen; herziening en terugvordering Anw-uitkering bevestigd; schadevergoeding afgewezen.