ECLI:NL:CRVB:2011:BU6805

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
2 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
09-4848 WSF-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Verzet
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep in socialezekerheidszaak afgewezen

In deze bestuursrechtelijke procedure heeft appellante hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage. De Centrale Raad van Beroep heeft het hoger beroep eerder niet-ontvankelijk verklaard omdat geen ontvankelijke gronden waren ingediend.

Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring is namens appellante verzet ingesteld. Dit verzet is ter zitting behandeld, waarbij partijen niet zijn verschenen. De Raad heeft ambtshalve onderzocht of het verzet ontvankelijk was.

Uit de stukken blijkt dat binnen de gestelde termijn van vier weken na de uitspraak geen gronden voor het verzet zijn ingediend, noch daarna. Er zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die het niet indienen van verzetgronden kunnen verklaren of rechtvaardigen.

Daarom heeft de Centrale Raad van Beroep het verzet niet-ontvankelijk verklaard. Er is geen aanleiding voor een veroordeling in de kosten van het verzet. De uitspraak is gedaan door de enkelvoudige kamer van de Centrale Raad van Beroep op 2 december 2011.

Uitkomst: Het verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van ingediende verzetgronden binnen de gestelde termijn.

Uitspraak

09/4848 WSF-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 17 juli 2009, 08/1365
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de hoofddirectie van de Informatie Beheer Groep, thans: de Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Datum uitspraak: 2 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 18 maart 2011 heeft de Raad het namens appellante door W. Prins, wonende te Den Haag, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak - wederom - niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 18 maart 2011 heeft W. Prins namens appellante verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 november 2011, waar partijen niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De Raad ziet zich allereerst, ambtshalve, gesteld voor de vraag naar de ontvankelijkheid van het verzet.
De Raad stelt in dat verband vast dat namens of door appellante binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 10 juni 2011 gestelde termijn van vier weken geen gronden van het verzet zijn ingediend. Ook na het verstrijken van die termijn zijn geen gronden ingediend.
Van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat dit niet aan (de gemachtigde van) appellante kan worden verweten, is niet is gebleken.
Dit betekent dat het verzet niet-ontvankelijk moet worden verklaard.
Voor een veroordeling in de kosten van het verzet is geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 2 december 2011.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
CVG