ECLI:NL:CRVB:2011:BU6990
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Ch. van Voorst
- J. Riphagen
- N.J.E.G. Cremers
- Rechtspraak.nl
Bevestiging toekenning Wajong-uitkering met ingangsdatum 1997 na marginale toetsing
Appellant verzocht in 1999 om een Wajong-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1997 vanwege arbeidsongeschiktheid sinds zijn 17e levensjaar. Na diverse procedures en vernietigingen van eerdere besluiten, stelde het UWV in 2007 vast dat appellant recht heeft op een uitkering met ingang van 1997. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij vóór die datum een financieel belang had.
De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat de aanvraag inhoudelijk moet worden beoordeeld naar de destijds geldende AAW-regelgeving, die vergelijkbaar is met de Wajong. Appellant verbleef tot eind 1997 in Engeland en kon geen financiële gegevens over die periode overleggen. Het UWV mocht daarom afzien van nader onderzoek en aannemen dat het financieel belang pas vanaf 1997 bestond.
De Raad oordeelde dat het besluit van het UWV de marginale toetsing kan doorstaan en dat appellant geen proceskostenveroordeling krijgt. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2008 werd bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van de Wajong-uitkering met ingang van 1997 en verklaart het hoger beroep ongegrond.