ECLI:NL:CRVB:2011:BU6990

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
08-2107 WAJONG
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Rechters
  • Ch. van Voorst
  • J. Riphagen
  • N.J.E.G. Cremers
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 29 WajongArt. 8:75 AwbAlgemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW)
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging toekenning Wajong-uitkering met ingangsdatum 1997 na marginale toetsing

Appellant verzocht in 1999 om een Wajong-uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1997 vanwege arbeidsongeschiktheid sinds zijn 17e levensjaar. Na diverse procedures en vernietigingen van eerdere besluiten, stelde het UWV in 2007 vast dat appellant recht heeft op een uitkering met ingang van 1997. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond omdat appellant niet aannemelijk had gemaakt dat hij vóór die datum een financieel belang had.

De Centrale Raad van Beroep bevestigde dit oordeel. De Raad overwoog dat de aanvraag inhoudelijk moet worden beoordeeld naar de destijds geldende AAW-regelgeving, die vergelijkbaar is met de Wajong. Appellant verbleef tot eind 1997 in Engeland en kon geen financiële gegevens over die periode overleggen. Het UWV mocht daarom afzien van nader onderzoek en aannemen dat het financieel belang pas vanaf 1997 bestond.

De Raad oordeelde dat het besluit van het UWV de marginale toetsing kan doorstaan en dat appellant geen proceskostenveroordeling krijgt. De uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2008 werd bevestigd.

Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de toekenning van de Wajong-uitkering met ingang van 1997 en verklaart het hoger beroep ongegrond.

Uitspraak

08/2107 Wajong
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 14 februari 2008, 07/857
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. A.J. de Boer, advocaat te Amsterdam, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 26 oktober 2011.
Appellant is verschenen bij gemachtigde mr. De Boer. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. J. Visch.
II. OVERWEGINGEN
1. Appellant, [geboren in] 1959, heeft op 8 februari 1999 aan de rechtsvoorganger van het Uwv verzocht hem een uitkering ingevolge de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten (Wajong) toe te kennen. Het terzake afgegeven besluit van 27 juli 1999 tot afwijzing van dit verzoek is in bezwaar gehandhaafd.
2. De rechtbank Amsterdam heeft bij uitspraak van 11 februari 2003 het onder 1 bedoelde besluit op bezwaar vernietigd, waarna het Uwv bij besluit op bezwaar van 5 mei 2003 aan appellant met ingang van 8 februari 1998 een Wajong-uitkering heeft toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%. Bij uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 5 november 2004 is dit besluit vernietigd. Het vervolgens door het Uwv genomen besluit op bezwaar van 14 februari 2005, waarbij de ingangsdatum van de Wajong-uitkering op 8 februari 1998 is gehandhaafd, is door de rechtbank Amsterdam bij uitspraak van 26 september 2006 vernietigd.
3. Bij besluit van 2 maart 2007 (het bestreden besluit) heeft het Uwv vastgesteld dat appellant met ingang [van] 1997 in aanmerking komt voor een Wajong-uitkering naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80 tot 100%.
4. De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak vastgesteld dat tussen partijen niet meer in geschil is dat appellants situatie een bijzonder geval oplevert in de zin van artikel 29, tweede lid, van de Wajong, zodat de Wajong-uitkering vroeger kan ingaan dan een jaar voor de dag waarop de aanvraag om toekenning werd ingediend. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het Uwv in redelijkheid kunnen besluiten de toekenning van de uitkering niet eerder te laten plaatsvinden dan met ingang [van] 1997. Onder verwijzing naar de rechtspraak van de Raad (onder meer de uitspraak van 28 oktober 2005, LJN AU5748) heeft de rechtbank hierbij in aanmerking genomen dat het gaat om een uitkering over een tijdvak in een ver verleden en dat appellant niet in staat is gebleken (een begin van) bewijs te leveren omtrent zijn inkomen in de periode voorafgaande aan die ingangsdatum en er dus niet in is geslaagd aan te tonen dat vóór die datum ook al sprake was van een financieel belang. De rechtbank heeft het beroep dan ook ongegrond verklaard.
5. De Raad overweegt het volgende.
5.1. Naar vaste rechtspraak van de Raad dient een aanvraag om uitkering in beginsel te worden beoordeeld naar de regelgeving zoals die van kracht was op de datum of gedurende het tijdvak, waarop de aanspraak betrekking heeft. Gelet op de aanvraag van appellant om toekenning van een Wajong-uitkering vanwege op 1 oktober 1976, de dag dat appellant 17 jaar werd, bestaande arbeidsongeschiktheid, moet deze aanvraag - inhoudelijk gezien - worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen van de Algemene Arbeidsongeschiktheidswet (AAW), zoals die destijds luidden. Aangezien het inhoudelijk gezien in de AAW en de Wajong op het hier in geding zijnde punt, om nagenoeg gelijkluidende bepalingen gaat, leest de Raad het besluit van 2 maart 2007 als een besluit om een uitkering met toepassing van de inmiddels ingetrokken AAW toe te kennen en de aangevallen uitspraak als een beoordeling van het op deze wijze gelezen besluit.
5.2. Verder verenigt de Raad zich met het oordeel van de rechtbank en de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen.
5.3. Namens appellant , die tot eind 1997 in Engeland verbleef en daar in de horeca zou hebben gewerkt en klusjeswerk zou hebben gedaan, is reeds ten tijde van de aanvraag erkend dat hij niet in staat is gegevens te vestrekken over daar verrichte werkzaamheden en genoten inkomsten. Ook bij brief van 15 februari 2007 en in beroep en hoger beroep heeft appellants gemachtigde bevestigd dat niet kan worden beschikt over financiële gegevens over de periode [van] 1976 tot de datum met ingang waarvan de Wajong-uitkering is toegekend. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat dit is toe te schrijven aan zijn psychiatrische ziekte. Gegeven die situatie heeft het Uwv – de belangen van appellant afwegend tegen het belang van de uitkeringsadministratie, zoals in voormelde uitspraak van de Raad is verwoord – kunnen afzien van nader onderzoek naar appellants inkomsten uit arbeid in Engeland. Nu appellant, zoals valt op te maken uit de toelichting bij de aanvraag, vanaf zijn terugkeer in Nederland eind 1997 kennelijk een schuldenlast is gaan opbouwen heeft het Uwv aangenomen dat vanaf dat moment een financieel belang voor hem bestaat bij toekening van de Wajong-uitkering, zodat de ingangsdatum is gesteld [in] 1997. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat dit besluit de hier aan te leggen marginale toetsing kan doorstaan.
6. Uit hetgeen is overwogen onder 5.1 tot en met 5.3 volgt dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
7. De Raad acht geen gronden aanwezig voor een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en J. Riphagen en
N.J.E.G. Cremers als leden, in tegenwoordigheid van N.S.A El Hana als griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 7 december 2011.
(get.) Ch. van Voorst.
(get.) N.S.A. El Hana.
JL