ECLI:NL:CRVB:2011:BU7010

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
7 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-4310 ZW
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:75 Awb
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevestiging hersteldverklaring na zorgvuldig verzekeringsgeneeskundig onderzoek

Appellant is na een ernstig auto-ongeval uitgevallen voor zijn werk als medewerker beddencentrale en het dienstverband is beëindigd. Het UWV verklaarde appellant per 1 juni 2009 hersteld voor zijn eigen werk na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek.

Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit, maar de rechtbank verklaarde het bezwaar ongegrond omdat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts zorgvuldig was en appellant geen medische stukken had overgelegd die twijfel opriepen. In hoger beroep voerde appellant aan dat het UWV later een Ziektewet-uitkering toe kende, wat zou betekenen dat het UWV van standpunt was veranderd.

De Centrale Raad van Beroep oordeelt dat dit argument geen nieuwe grond is en onderschrijft het oordeel van de rechtbank. De bezwaarverzekeringsarts had alle relevante medische informatie meegewogen en constateerde geen beperkingen. Het feit dat appellant later opnieuw een ZW-uitkering kreeg, leidt niet tot een ander oordeel over de datum van hersteldverklaring. Het hoger beroep wordt verworpen en de aangevallen uitspraak bevestigd.

Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de hersteldverklaring per 1 juni 2009 bevestigd.

Uitspraak

10/4310 ZW
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellant], wonende te [woonplaats] (hierna: appellant),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 18 juni 2010, 09/2271
(hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellant
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen
(hierna: Uwv).
Datum uitspraak: 7 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellant heeft mr. J.J.C. van Haren, advocaat te Utrecht, hoger beroep ingesteld.
Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend, waarbij een rapportage van de bezwaarverzekeringsarts S. Groeneveld van 4 november 2010 is overgelegd.
Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 26 oktober 2011 waar partijen - het Uwv met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
1.1. Appellant is na een ernstig auto-ongeval op 25 mei 2008 wegens lichamelijke en psychische klachten uitgevallen voor zijn werk als medewerker beddencentrale in het ziekenhuis. Het dienstverband is per 1 maart 2009 beëindigd.
1.2. Na een verzekeringsgeneeskundig onderzoek door verzekeringsarts S. Moekoet is appellant per 1 juni 2009 hersteld verklaard voor zijn werk als medewerker beddencentrale. Op 11 mei 2009 heeft de betrokken verzekeringsarts appellant een zogeheten arbeidsgeschiktheidsverklaring toegezonden en op 2 juni 2009 is terzake een besluit afgegeven. Bij besluit van 7 juli 2009 (hierna: bestreden besluit) heeft het Uwv het bezwaar van appellant, onder verwijzing naar de rapportage van de bezwaarverzekeringsarts Groeneveld van 2 juli 2009, ongegrond verklaard.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellant tegen het bestreden besluit ongegrond verklaard. Daarbij heeft de rechtbank - samengevat - overwogen dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts toereikend en voldoende zorgvuldig is geweest. In hetgeen appellant in beroep heeft aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts. Appellant heeft geen medische stukken overgelegd waarmee het oordeel van de bezwaarverzekeringsarts wordt weerlegd. Dat appellant op 24 september 2009 weer in de Ziektewet (ZW) is geaccepteerd doet naar het oordeel van de rechtbank aan het voorgaande niet af.
3. In hoger beroep heeft appellant aangevoerd dat per 24 september 2009 op grond van hetzelfde klachtenpatroon opnieuw een ZW-uitkering is toegekend en dat daaruit de conclusie kan worden getrokken dat het Uwv op zijn aanvankelijke standpunt, zoals neergelegd in het bestreden besluit, is teruggekomen.
4.1. De Raad, oordelend over hetgeen appellant tegen de aangevallen uitspraak heeft aangevoerd, overweegt het volgende.
4.2. Hetgeen appellant in hoger beroep heeft aangevoerd, vormt in essentie een herhaling van de gronden die hij reeds in eerste aanleg heeft aangevoerd. De Raad verenigt zich met het ter zake gegeven oordeel van de rechtbank en onderschrijft de daaraan in de aangevallen uitspraak ten grondslag gelegde overwegingen. Ook de Raad is van oordeel dat het onderzoek door de bezwaarverzekeringsarts Groeneveld voldoende zorgvuldig is geweest. De bezwaarverzekeringsarts heeft appellant onderzocht en de overgelegde informatie van de huisarts van 1 juli 2009 en het Sport medisch centrum Medicort van 3 maart 2009, 25 mei 2009 en 24 juni 2009 meegewogen in zijn oordeel. De bezwaarverzekeringsarts kon bij eigen onderzoek geen ernstige psychopathologie waarnemen en het lichamelijk onderzoek liet geen functiestoornissen van het bewegingsapparaat zien. De bezwaarverzekeringsarts heeft derhalve het standpunt van de primaire verzekeringsarts onderschreven, inhoudende dat er geen beperkingen zijn waardoor appellant niet geschikt zou kunnen worden geacht voor zijn werk als medewerker beddencentrale. De Raad heeft geen aanleiding gevonden voor twijfel aan de juistheid van deze conclusie. Hierbij heeft de Raad mede in aanmerking genomen dat appellant noch in eerste aanleg noch in hoger beroep medische stukken heeft ingebracht die twijfel zouden kunnen oproepen aan de medische beoordeling.
4.3. Het feit dat aan appellant per 24 september 2009, dan wel per 1 oktober 2009 opnieuw een ZW-uitkering is toegekend, leidt niet tot een ander oordeel met betrekking tot de datum in geding, te weten 1 juni 2009. De Raad verwijst in dit verband nog naar de in hoger beroep gegeven reactie van de bezwaarverzekeringsarts van 4 november 2010. Daaruit blijkt dat appellant zich met toegenomen klachten heeft gemeld, waarvoor hij in februari 2010 met een (nieuwe) behandeling is gestart.
4.4. Uit hetgeen onder 4.2 en 4.3 is overwogen volgt dat het hoger beroep van appellant niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van Pro de Algemene wet bestuursrecht ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep,
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door C.P.J. Goorden, in tegenwoordigheid van H.L. Schoor als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 7 december 2011.
(get.) C.P.J. Goorden.
(get.) H.L. Schoor.
NK