ECLI:NL:CRVB:2011:BU7418
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Beëindiging recht op WW-uitkering na verstrijken maximale uitkeringsduur bevestigd
Appellante had bij besluit van 23 oktober 2007 een WW-uitkering toegekend gekregen met ingang van 26 september 2007 voor een maximale duur van twee jaar en zes maanden, lopend tot 25 maart 2010. Tegen dit besluit zijn geen rechtsmiddelen meer aangewend, waardoor het in rechte vaststaat.
Appellante stelde in hoger beroep dat vanaf 26 september 2007 de Ziektewet (ZW) op haar van toepassing was en dat zij daarom ziekengeld had moeten ontvangen in plaats van een WW-uitkering. De rechtbank en de Centrale Raad van Beroep oordeelden echter dat deze stelling buiten de omvang van het geding viel, omdat het hoger beroep zich richtte op het besluit van 11 juni 2010 dat het bezwaar tegen de beëindiging van de WW-uitkering ongegrond verklaarde.
De Raad benadrukte dat het recht op WW-uitkering van rechtswege eindigt zodra de maximale uitkeringsduur is verstreken, tenzij er omstandigheden zijn die tot een wijziging leiden. Het feit dat de arbeidsovereenkomst van appellante in 2008 werd ontbonden, vormt geen reden om de einddatum te wijzigen. Ook het beroep op het vertrouwensbeginsel faalde, omdat geen ondubbelzinnige toezegging was gedaan die een gerechtvaardigde verwachting kon wekken dat de WW-uitkering zou doorlopen zolang de WIA-procedure liep.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank Breda en verklaart het hoger beroep ongegrond. Er is geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.
Uitkomst: Het recht op WW-uitkering van appellante eindigt van rechtswege op 26 maart 2010 wegens het verstrijken van de maximale uitkeringsduur.