ECLI:NL:CRVB:2011:BU7441
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- T. Hoogenboom
- T.L. de Vries
- J. Brand
- Rechtspraak.nl
Weigering overname loonbetalingsverplichting wegens ontbreken werknemer in zin van de WW
Appellante was van 1998 tot 2005 zelfstandig werkzaam in een eenmansbedrijf dat in 2005 werd omgezet in een stichting, zonder dat dit leidde tot wijziging in de gezags- of organisatiestructuur. De stichting, geleid door het bestuur waaronder de echtgenoot van appellante, zette de werkzaamheden voort. Appellante trad op als directeur van de stichting, maar bleef feitelijk de spil en leidinggevende.
Het UWV weigerde de betalingsverplichting over te nemen op grond van de WW omdat appellante geen werknemer zou zijn. De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond wegens het ontbreken van een gezagsverhouding. In hoger beroep stelde appellante dat zij wel werknemer was, onder meer op basis van de arbeidsovereenkomst, de beleidsregels beoordeling dienstbetrekking en artikel 7:610a BW.
De Raad oordeelde dat voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekking een gezagsverhouding vereist is, naast loonbetaling en persoonlijke arbeid. Uit de feiten bleek dat het bestuur geen werkgeversgezag uitoefende over appellante; er was geen toezicht, aanwijzingen of bijsturing. De betaling van premies is niet doorslaggevend voor werknemerschap. Het rechtsvermoeden van een arbeidsovereenkomst laat het ontbreken van gezag onverlet.
Daarom bevestigde de Raad de eerdere uitspraak dat appellante geen werknemer in de zin van de WW is en dat het verzoek tot overname van loonbetalingsverplichting terecht is geweigerd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt dat appellante geen werknemer is in de zin van de WW en wijst het verzoek tot overname van loonbetalingsverplichting af.