ECLI:NL:CRVB:2011:BU7934
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- K. Zeilemaker
- Rechtspraak.nl
Beëindiging tijdelijk dienstverband groepsleider justitiële jeugdinrichting bevestigd
Appellante was tijdelijk aangesteld als groepsleider bij een justitiële jeugdinrichting en werd ontslagen wegens het niet voldoen aan de hoge eisen van integriteit en betrouwbaarheid die aan haar functie worden gesteld. De minister beëindigde haar dienstverband op grond van artikel 95, tweede lid, van het ARAR nadat zij niet had gemeld dat zij was aangehouden en verdacht werd van betrokkenheid bij criminele activiteiten en het gebruik van cocaïne.
Appellante voerde in hoger beroep aan dat haar tijdelijke aanstelling was geconverteerd naar een vaste aanstelling en dat het ontslag onredelijk was. De Raad oordeelde dat er geen sprake was van conversie en dat het ontslag op redelijke gronden was verleend. Het gedrag van appellante bracht een veiligheidsrisico met zich mee en paste niet bij haar rol als groepsleider.
Verder stelde appellante dat de redelijke termijn voor de procedure was overschreden, maar de Raad stelde vast dat de totale duur van de procedure binnen de wettelijke termijnen viel. Ook het bezwaar over het ontbreken van een nadere hoorzitting werd verworpen. De Raad bevestigde daarmee de eerdere uitspraak van de rechtbank Rotterdam.
Uitkomst: Het ontslag van appellante uit haar tijdelijke dienstverband wordt bevestigd wegens het niet voldoen aan integriteitseisen en het schenden van vertrouwen.