ECLI:NL:CRVB:2011:BU8281
Centrale Raad van Beroep
- Cassatie
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- D.J. van der Vos
- Rechtspraak.nl
Bevestiging afwijzing terugwerkende kracht Wajong-uitkering wegens geen bijzonder geval
Appellant heeft een Wajong-uitkering aangevraagd met terugwerkende kracht vanaf medio 2006, terwijl de aanvraag pas in april 2008 werd ingediend. Het UWV kende de uitkering toe met ingang van 2 april 2007 en verklaarde het bezwaar tegen deze ingangsdatum ongegrond. De rechtbank Amsterdam oordeelde dat geen sprake was van een bijzonder geval in de zin van artikel 29, tweede lid, Wajong, omdat de late aanvraag aan appellant kon worden toegerekend.
In hoger beroep voerde appellant aan dat zijn specifieke omstandigheden, waaronder psychische decompensatie en analfabetisme, een langere terugwerkende kracht rechtvaardigden. De bezwaarverzekeringsarts concludeerde dat appellant sinds april 1991 meerdere periodes van psychische decompensatie had, maar dat hij in die periodes wel over steun van derden beschikte, zoals zijn zus en partner, die hem konden helpen met het aanvragen van de uitkering.
De Raad stelt vast dat appellant onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt dat hij niet in verzuim was met betrekking tot de late aanvraag. Het feit dat appellant eerder succesvol een bijstandsuitkering heeft aangevraagd en aan controleverplichtingen heeft voldaan, bevestigt dit oordeel. De Raad verwijst naar vaste rechtspraak dat een bijzonder geval alleen aanwezig is indien de betrokkene redelijkerwijs niet in verzuim kan worden gesteld. De situatie van appellant wijkt niet af van eerdere vergelijkbare zaken.
De Centrale Raad van Beroep bevestigt daarom de uitspraak van de rechtbank en wijst het hoger beroep af. Er wordt geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt ongegrond verklaard en de ingangsdatum van de Wajong-uitkering blijft 2 april 2007.