ECLI:NL:CRVB:2011:BU8390
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- J.P.M. Zeijen
- A.A.H. Schifferstein
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking WAO-uitkering wegens onvoldoende objectief medisch verzuimrisico
Appellante maakte bezwaar tegen de intrekking van haar WAO-uitkering per 2 december 2007, welke was gebaseerd op een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank Rotterdam verklaarde het bezwaar ongegrond, waarna appellante hoger beroep instelde bij de Centrale Raad van Beroep.
De Raad benoemde een onafhankelijke deskundige, een reumatoloog, die aanvankelijk op basis van subjectieve klachten een hoog verzuimrisico inschatte. Na nadere toelichting en commentaar van de verzekeringsarts werd deze conclusie deels teruggenomen, waarbij werd vastgesteld dat er geen sprake was van actieve ontstekingsverschijnselen van FMF. De Raad concludeerde dat er geen objectief-medische gegevens waren die een zodanig verzuimrisico aannemelijk maakten dat van een werkgever niet in redelijkheid kon worden verlangd appellante in bepaalde arbeid te werk te stellen.
De Raad volgde daarmee het oordeel van de rechtbank dat de medische grondslag van het besluit niet onjuist was. Ook de arbeidskundige beoordeling dat de geselecteerde functies medisch geschikt waren, werd overgenomen. Het hoger beroep werd ongegrond verklaard en de intrekking van de WAO-uitkering bevestigd.
Uitkomst: De intrekking van de WAO-uitkering per 2 december 2007 wordt bevestigd wegens onvoldoende objectief medisch bewijs van een hoog verzuimrisico.