ECLI:NL:CRVB:2011:BU8535
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- Rechtspraak.nl
Afwijzing immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatige weigering WAO-uitkering
Appellante had een WAO-uitkering die per 18 april 2006 werd ingetrokken. Het UWV weigerde aanvankelijk om per 22 februari 2007 opnieuw een WAO-uitkering toe te kennen, maar herzag dit besluit later en kende alsnog een uitkering toe met een arbeidsongeschiktheidspercentage van 15 tot 25%.
Appellante vorderde immateriële schadevergoeding wegens de onrechtmatige weigering van de uitkering, stellende dat zij door het wegvallen van circa € 200 netto per maand haar sociale leven moest beperken en psychisch leed had geleden. De rechtbank wees dit verzoek af omdat niet was aangetoond dat sprake was van ernstige inbreuk op haar persoonlijke levenssfeer of geestelijk letsel zoals vereist volgens artikel 6:106 BW Pro.
In hoger beroep bevestigde de Centrale Raad van Beroep deze afwijzing. De Raad oordeelde dat aansluiting gezocht moet worden bij het civielrechtelijk schadevergoedingsrecht en dat de door appellante voorgestelde analoge toepassing van de lichtere criteria uit het EVRM niet kan worden gevolgd. Tevens concludeerde de Raad dat appellante onvoldoende medische onderbouwing had geleverd voor haar geestelijk letsel.
De Raad wees ook het beroep af dat psychische schade voortvloeit uit de intrekking van de WAO-uitkering per 18 april 2006, omdat dit besluit niet onrechtmatig was verklaard in deze procedure. Het hoger beroep faalt en de uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: Het verzoek om immateriële schadevergoeding wegens onrechtmatige weigering van WAO-uitkering wordt afgewezen.