ECLI:NL:CRVB:2011:BU8610
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- O.L.H.W.I. Korte
- C.H. Bangma
- Rechtspraak.nl
Bevestiging terugvordering bijstand ondanks beroep op zes-maanden-jurisprudentie en redelijke termijn EVRM
Appellante ontving bijstand tot de nalatenschap van haar vader in 2006 werd uitgekeerd. Het College stopte de bijstand en vorderde terugbetaling van kosten over de periode dat zij vermogen had. Appellante voerde aan dat het College te lang wachtte met terugvordering en beriep zich op de zes-maanden-jurisprudentie en overschrijding van de redelijke termijn volgens artikel 6 EVRM Pro.
De Raad stelt vast dat het College bevoegd was tot terugvordering en dat het beleid voorziet in afzien van terugvordering bij dringende redenen, die hier niet aanwezig zijn. De Raad oordeelt dat het College al in augustus 2006 had kunnen besluiten tot terugvordering en dat het uitstel geen verhoging van het bedrag heeft veroorzaakt. De zes-maanden-jurisprudentie faalt omdat het terugvorderingsbedrag niet is opgelopen na het signaal van appellante.
Verder is de redelijke termijn niet overschreden omdat de termijn begint te lopen bij het bezwaarschrift en de procedure drie jaar duurde, wat acceptabel is. Het beroep van appellante wordt verworpen en de eerdere uitspraak van de rechtbank wordt bevestigd.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de terugvordering van bijstand en wijst het hoger beroep af.