ECLI:NL:CRVB:2011:BU8630
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- C. van Viegen
- J.F. Bandringa
- H.D. Stout
- Rechtspraak.nl
Intrekking bijstand wegens overschrijding vermogensgrens door onroerend goed in Marokko
Betrokkenen ontvingen bijstand op grond van de WWB, maar deze werd ingetrokken wegens vermoedelijk bezit van onroerend goed in Marokko dat de vermogensgrens overschreed. Een onderzoek bevestigde dat onroerend goed op hun naam stond, zonder dat zij dit hadden gemeld.
De rechtbank oordeelde dat betrokkenen aannemelijk hadden gemaakt dat zij niet over het volledige vermogen konden beschikken en vernietigde het besluit tot intrekking. De gemeente ging in hoger beroep en stelde dat de stukken terecht buiten beschouwing waren gelaten en dat het bezit van onroerend goed de intrekking rechtvaardigde.
De Raad stelde vast dat het bezit van onroerend goed op naam van betrokkenen de vooronderstelling rechtvaardigt dat zij hierover beschikken, tenzij zij met objectief bewijs het tegendeel aannemelijk maken. Betrokkenen slaagden hier niet in, omdat zij geen verifieerbare bewijsstukken over het eigendom of een geldblokkade konden overleggen.
De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond. Tevens vernietigde de Raad het besluit van de gemeente tot vergoeding van vertaalkosten, behoudens dat onderdeel. Er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.
Uitkomst: Het beroep tegen de intrekking van de bijstand wegens overschrijding van de vermogensgrens wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.