ECLI:NL:CRVB:2011:BU8633
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- N.J. van Vulpen-Grootjans
- J.J.A. Kooijman
- E.C.R. Schut
- Rechtspraak.nl
Hoger beroep niet-ontvankelijk wegens ontbreken procesbelang bij bijstandsuitkering
Appellant diende op 29 april 2009 een aanvraag in voor bijstand op grond van de WWB, welke op 4 juni 2009 werd afgewezen omdat hij geen woonplaats had in de betreffende gemeente. Appellant maakte bezwaar tegen dit besluit en kreeg gedeeltelijk bijstand toegekend over 30 en 31 mei 2009. Tegen de specificatie van deze uitbetaling maakte appellant bezwaar omdat hij ook recht meende te hebben op bijstand over de periode van 29 april tot en met 29 mei 2009.
Het dagelijks bestuur verklaarde dit bezwaar niet-ontvankelijk omdat de specificatie geen besluit in de zin van de Awb was en geen nieuwe rechtsgevolgen bevatte. De rechtbank verklaarde het beroep van appellant tegen het besluit van 15 september 2009 gegrond en bepaalde dat een nieuw besluit moest worden genomen waarin appellant bijstand werd toegekend over de periode van 29 april tot en met 29 mei 2009.
Het dagelijks bestuur nam vervolgens een nieuw besluit en betaalde de bijstand over die periode uit, hetgeen appellant bevestigde. De Raad oordeelde dat appellant hierdoor het met het hoger beroep beoogde resultaat reeds had bereikt en daarom geen procesbelang had bij de beoordeling van het hoger beroep. Het hoger beroep werd daarom niet-ontvankelijk verklaard.
Uitkomst: Het hoger beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard wegens het ontbreken van voldoende procesbelang.