ECLI:NL:CRVB:2011:BU8767

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
15 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5965 WUV
Type
Uitspraak
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - meervoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 61a WuvArt. 40 WuvArt. 8:42 AwbArt. 8:72 AwbArt. 8:75 Awb
Verwijzingen
9 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vernietiging terugvorderingsbesluit te veel betaalde Wuv-uitkering wegens onjuiste feiten

Appellante, gelijkgesteld met een vervolgde in de zin van de Wuv, ontving sinds 1994 een periodieke uitkering. Verweerder stelde in 2009 de uitkering nader vast vanwege pensioeninkomsten en vorderde een te veel betaalde uitkering terug. Appellante betwistte de grondslag van terugvordering, met name de kwalificatie van grove nalatigheid en het bruto karakter van de terugvordering.

De Raad oordeelde dat verweerder gerechtigd was de terugvordering te baseren op grove nalatigheid, omdat appellante haar meldingsplicht niet voldoende nakwam; de door haar per post verstuurde melding was niet ontvangen en niet aangetekend. Het te veel teruggevorderde bedrag was echter te hoog vastgesteld.

De Raad vernietigde het bestreden besluit voor zover het bedrag betreft, stelde het terug te vorderen bedrag zelf vast op €4.038,43 en veroordeelde verweerder in de proceskosten van appellante. Tevens werd geoordeeld dat de overgelegde stukken door verweerder terecht waren ingediend conform de Awb.

Uitkomst: Het terugvorderingsbedrag wordt vastgesteld op €4.038,43 en het bestreden besluit wordt voor zover dit bedrag betreft vernietigd.

Uitspraak

10/5965 WUV
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
in het geding tussen:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
en
de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad, thans: de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank (hierna: verweerder)
Datum uitspraak: 15 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Dit geding, dat aanvankelijk is gevoerd door de Raadskamer WUV van de Pensioen- en Uitkeringsraad (PUR), is in verband met een wijziging van taken, zoals neergelegd in de Wet uitvoering wetten voor verzetsdeelnemers en oorlogsgetroffenen (Wet van 15 april 2010, Stb. 2010, 182), voortgezet door de Raad van Bestuur van de Sociale verzekeringsbank. Waar in deze uitspraak wordt gesproken over verweerder wordt daaronder in voorkomend geval (mede) verstaan de - voormalige - Raadskamer WUV van de PUR.
Appellante heeft beroep ingesteld tegen een besluit van verweerder van 29 september 2010, kenmerk BZ01182560, verder: bestreden besluit. Dit betreft de toepassing van de Wet uitkeringen vervolgingsslachtoffers 1940-1945 (Wuv).
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 3 november 2011. Appellant is verschenen, bijgestaan door haar [echtgenoot]. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A. Marijnissen, werkzaam bij de Sociale verzekeringsbank.
II. OVERWEGINGEN
1. Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de Raad uit van de volgende hier van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante, geboren in 1945, is in 1994 gelijkgesteld met een vervolgde in de zin van de Wuv. Met ingang van 1 januari 1994 is haar op grond van die wet een periodieke uitkering toegekend. Verder zijn enkele voorzieningen verleend.
1.2. Bij besluit van 17 december 2009 heeft verweerder de periodieke uitkering op grond van de Wuv van appellante met ingang van 1 januari 2009 nader vastgesteld op € 651,04 per maand in verband met haar pensioeninkomsten. Bij besluit van 20 april 2010 is een bedrag van € 4.391,62 aan over de periode van 1 mei 2009 tot 1 april 2010 te veel betaalde uitkering van appellante teruggevorderd. Het tegen die terugvordering gemaakte bezwaar is bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.
2. Naar aanleiding van hetgeen partijen in beroep naar voren hebben gebracht overweegt de Raad als volgt.
2.1. Allereerst stelt de Raad vast dat verweerder hangende de behandeling van het beroep een nader standpunt heeft ingenomen met betrekking tot de hoogte van het over genoemde periode te veel betaalde bedrag. Dit bedrag is bijgesteld naar € 4.038,43.
2.2. Niet in geschil is dat verweerder te veel Wuv-uitkering aan appellante heeft betaald in genoemde periode en het thans bijgestelde bedrag is door appellante op zich ook niet bestreden. Appellante is met name gekwetst door de grondslag van de terugvordering, namelijk grove nalatigheid in de zin van artikel 61a van de Wuv. Zij stelt al in maart 2009 via de post een bericht aan verweerder te hebben gestuurd over de toekenning van pensioen door Euretco en dus aan haar verplichting om dit te melden te hebben voldaan. Verder vindt appellante het onterecht dat het te veel betaalde bedrag bruto wordt teruggevorderd en is zij van mening dat verweerder te veel stukken aan de Raad heeft overgelegd.
2.3. Verweerder heeft die melding van appellante niet ontvangen en heeft pas via een door appellante ingediende “financiële vragenlijst 65+” in maart 2010 kennis genomen van de pensioeninkomsten van appellante. Vanaf 1 maart 2010 is het bedrag aan uitkering op grond van de Wuv opnieuw aangepast naar € 289,16 per maand.
2.4. De in geding zijnde terugvordering is gebaseerd op artikel 61a, aanhef en onder a, van de Wuv, op grond waarvan het ten onrechte uitbetaalde aan periodieke uitkering kan worden teruggevorderd wanneer de onjuistheid van de aan de oorspronkelijke beslissing ten grondslag gelegde feiten is te wijten aan opzet dan wel grove nalatigheid van betrokkene. Deze grondslag heeft verweerder hier naar het oordeel van de Raad mogen hanteren. Op grond van artikel 40 van Pro de Wuv is de uitkeringsgerechtigde verplicht onverwijld aan verweerder mededeling te doen van elke verandering en van feiten en omstandigheden die tot intrekking of verlaging van de uitkering aanleiding kunnen geven. Dat verweerder de per post gedane melding van appellante niet heeft ontvangen, moet in dit geval voor risico van appellante komen, nu de melding niet aangetekend was verstuurd. Ook naar aanleiding van de doorgaande, ongewijzigde betaling van de uitkering heeft appellante niet bij verweerder navraag gedaan. Ook al is dit niet zo bedoeld, er is sprake van het niet (voldoende) nakomen van de inlichtingenverplichting en dit kan worden gekwalificeerd als grove nalatigheid in de zin van genoemd wetsartikel.
2.5. Het vorenstaande brengt mee dat verweerder gerechtigd was de te veel betaalde uitkering van appellante bruto terug te vorderen. Nu het bij het bestreden besluit teruggevorderde bedrag echter te hoog is vastgesteld, zoals onder 2.1 is vermeld, komt dit besluit voor vernietiging in aanmerking en wordt het beroep in zoverre gegrond verklaard. De Raad zal met toepassing van artikel 8:72 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het terug te vorderen bedrag zelf vaststellen op € 4.038,43.
2.6. Met betrekking tot de grief van appellante over de ten behoeve van de behandeling van dit beroep overgelegde stukken overweegt de Raad dat verweerder op grond van artikel 8:42 van Pro de Awb verplicht is alle op de zaak betrekking hebbende stukken in te dienen. De door verweerder in dit geding overgelegde stukken behoren daar zeker toe.
3. In het voorgaande vindt de Raad aanleiding verweerder op grond van artikel 8:75 van Pro de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van € 17,40 aan reiskosten.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het beroep gegrond;
Vernietigt het besluit van verweerder van 29 september 2010, voor zover daarbij het bedrag van de terugvordering is vastgesteld op € 4.391,62;
Stelt het bedrag van de terugvordering vast op € 4.038,43;
Bepaalt dat zijn uitspraak in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
Veroordeelt verweerder in de proceskosten van appellante in beroep tot een bedrag van
€ 17,40.
Deze uitspraak is gedaan door A. Beuker-Tilstra als voorzitter en R. Kooper en G.L.M.J. Stevens als leden, in tegenwoordigheid van S. Werensteijn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 15 december 2011.
(get.) A. Beuker-Tilstra.
S. Werensteijn.
De griffier is buiten staat te tekenen.
HD