ECLI:NL:CRVB:2011:BU8980
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- J.W. Schuttel
- C.W.J. Schoor
- J.P.M. Zeijen
- Rechtspraak.nl
Vernietiging uitspraak rechtbank en ongegrondverklaring beroep tegen intrekking WAO-uitkering
Appellante maakte bezwaar tegen het besluit van het UWV om de WAO-uitkering van een werknemer in te trekken wegens een arbeidsongeschiktheid van minder dan 15%. De rechtbank verklaarde het beroep van appellante ongegrond, maar stelde geen nieuwe toestemming voor afdoening buiten zitting na toevoeging van nieuwe gedingstukken, wat in strijd is met de Awb.
De Raad oordeelde dat de verzending van de uitspraak niet voldeed aan de vereisten van de Awb, waardoor de beroepstermijn niet juist was aangevangen. Hierdoor was het hoger beroep tijdig ingesteld. Tevens werd geoordeeld dat de rechtbank het proces niet rechtsgeldig had afgedaan zonder nieuwe toestemming van partijen na toevoeging van stukken.
Inhoudelijk oordeelde de Raad dat het UWV voldoende had gemotiveerd dat de inkomsten uit arbeid en loonsuppletie destijds niet tot intrekking van de WAO-uitkering hadden moeten leiden. De Raad vernietigde de uitspraak van de rechtbank en verklaarde het beroep ongegrond, waarbij het UWV werd veroordeeld in de proceskosten van appellante.
Uitkomst: Het beroep tegen het besluit tot intrekking van de WAO-uitkering wordt ongegrond verklaard en de uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd.