ECLI:NL:CRVB:2011:BU9006

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
20 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
10-5026 WWB
Instantie
Centrale Raad van Beroep
Type
Uitspraak
Procedures
  • Hoger beroep
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Intrekking en terugvordering van bijstandsuitkering wegens gezamenlijke huishouding en schending inlichtingenverplichting

In deze zaak gaat het om de intrekking en terugvordering van de bijstandsuitkering van appellante, die vanaf 19 oktober 2006 bijstand ontving op basis van de Wet werk en bijstand (WWB). Het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort heeft de bijstand van appellante per 1 mei 2009 ingetrokken, omdat zij een gezamenlijke huishouding voerde met [H.], zonder dit te melden. De rechtbank Haarlem verklaarde het beroep van appellante tegen dit besluit ongegrond. Appellante heeft hoger beroep ingesteld, waarbij zij betoogde dat haar verklaring over de woonsituatie onder druk was afgelegd en dat er geen sprake was van een gezamenlijke huishouding.

De Centrale Raad van Beroep heeft de feiten en omstandigheden van de zaak onderzocht. De Raad oordeelde dat er voldoende bewijs was voor de gezamenlijke huishouding, onder andere omdat uit de relatie van appellante en [H.] een kind was geboren en zij beiden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. De Raad hechtte veel waarde aan de verklaring van appellante, die zij had afgelegd tijdens een huisbezoek, en concludeerde dat deze verklaring niet onder ontoelaatbare druk was afgelegd. De Raad bevestigde het oordeel van de rechtbank dat appellante haar inlichtingenverplichting had geschonden door de gezamenlijke huishouding niet te melden.

De Raad oordeelde dat het College bevoegd was om de bijstand in te trekken en dat de terugvordering van de bijstandsuitkering terecht was. Het hoger beroep van appellante werd verworpen en de aangevallen uitspraak werd bevestigd. De Raad zag geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Uitspraak

10/5026 WWB
Centrale Raad van Beroep
Meervoudige kamer
U I T S P R A A K
op het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Haarlem van 27 juli 2010, 10/1827 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zandvoort (hierna: College)
Datum uitspraak: 20 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Namens appellante heeft mr. H.M. de Roo, advocaat te Haarlem, hoger beroep ingesteld.
Het College heeft een verweerschrift ingediend.
Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 8 november 2011. Appellante is met voorafgaand bericht niet verschenen. Het College heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. R.J. Baars, werkzaam bij de gemeente Haarlem.
II. OVERWEGINGEN
1. De Raad gaat uit van de volgende in dit geding van belang zijnde feiten en omstandigheden.
1.1. Appellante ontving vanaf 19 oktober 2006 bijstand ingevolge de Wet werk en bijstand (WWB) naar de norm voor een alleenstaande ouder.
1.2. Naar aanleiding van een vermoeden dat de woonsituatie van appellante niet in overeenstemming was met de door haar opgegeven situatie is een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellante verleende bijstand. Daarbij heeft onder meer dossieronderzoek plaatsgevonden, is bij diverse instanties om inlichtingen verzocht, is een huisbezoek afgelegd en heeft appellante een verklaring afgelegd. De bevindingen van het onderzoek zijn neergelegd in een rapport van 13 november 2009.
1.3. Op grond van deze onderzoeksbevindingen heeft het College bij besluit van 15 december 2009 de bijstand van appellante vanaf 1 mei 2009 ingetrokken en de gemaakte kosten van bijstand over de periode van 1 mei 2009 tot en met 31 oktober 2009 tot een bedrag van € 6.132,99 van appellante teruggevorderd.
1.4. Bij besluit van 4 maart 2010 heeft het College het tegen het besluit van 15 december 2009 gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Daaraan is ten grondslag gelegd dat appellante ten tijde van belang een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [H.] (hierna: [H.]) zonder daarvan melding te maken bij het College.
2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het besluit van 4 maart 2010 ingestelde beroep ongegrond verklaard.
3. In hoger beroep heeft appellante zich op de hierna te bespreken gronden gekeerd tegen de aangevallen uitspraak.
4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.
4.1. Het College heeft de intrekking van de bijstand van appellante niet in tijdsduur beperkt. In een dergelijk geval bestrijkt de beoordeling door de bestuursrechter de periode vanaf de datum met ingang waarvan de bijstand is ingetrokken tot en met de datum van het primaire intrekkingsbesluit, in dit geval de periode van 1 mei 2009 tot en met 15 december 2009.
4.2. Artikel 3, derde lid, van de WWB bepaalt dat van een gezamenlijke huishouding sprake is indien twee personen hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en zij blijk geven zorg te dragen voor elkaar door middel van het leveren van een bijdrage in de kosten van de huishouding dan wel anderszins.
4.3. Ingevolge artikel 3, vierde lid, aanhef en onder b, van de WWB wordt een gezamenlijke huishouding in ieder geval aanwezig geacht indien de belanghebbenden hun hoofdverblijf in dezelfde woning hebben en uit hun relatie een kind is geboren of erkenning heeft plaatsgevonden van een kind van de een door de ander. Aangezien vaststaat dat uit de relatie van appellante en [H.] een kind is geboren, is voor de beantwoording van de vraag of ten tijde van belang sprake was van een gezamenlijke huishouding bepalend of appellante en [H.] hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden.
4.4. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank, en de overwegingen waarop dat oordeel is gebaseerd, dat er een toereikende grondslag is voor de conclusie dat appellante en [H.] ten tijde van belang beiden hun hoofdverblijf in de woning van appellante hadden, zodat - gelet op het feit dat uit hun relatie een kind is geboren - sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding. Evenals de rechtbank kent de Raad daarbij zwaarwegende betekenis toe aan de verklaring van appellante, dat [H.] bij haar in huis woont sinds mei 2009, dat hij daar slaapt en dat ze wonen als een gezin, dat hij ’s-morgens naar zijn werk gaat en ’s-avonds weer thuis komt. Deze verklaring heeft appellante op 11 november 2009 tegenover behandelend ambtenaar A.J. Viljevas en klantmanager M. Molinas afgelegd en is neergelegd in een handgeschreven verklaring die zij na doorlezing zonder voorbehoud per pagina heeft ondertekend. Naar het oordeel van de Raad is niet aannemelijk gemaakt dat deze verklaring onder ontoelaatbare druk of, zoals appellante stelt, in een roes is afgelegd, onjuist is of om een andere reden buiten beschouwing moet blijven. Dat appellante haar verklaring niet heeft afgelegd tegenover ambtenaren met een bijzondere opsporingsbevoegdheid maakt niet dat aan die verklaring in het onderhavige geval geen betekenis mag worden gehecht. De verklaring vindt bovendien steun in de bevindingen van het huisbezoek op 11 november 2009. Tijdens dat huisbezoek is kleding van [H.] in de gehele woning aangetroffen en lagen in de badkamer aan [H.] toebehorende toiletartikelen. De stelling van appellante dat zij geen gebruik heeft kunnen maken van het consultatierecht en dat haar ten onrechte geen cautie is gegeven treft geen doel onder verwijzing naar de uitspraken van de Raad van 19 mei 2009, LJN BI 6036 en 28 oktober 2010, LJN BG 3682.
4.5. Hieruit volgt dat appellante ten tijde hier van belang niet als zelfstandig subject van bijstand kon worden aangemerkt, zodat zij geen recht had op bijstand naar de norm voor een alleenstaande ouder.
4.6. Van de gezamenlijke huishouding met [H.] is door appellante geen melding gemaakt, zodat zij de wettelijke op haar rustende inlichtingenverplichting heeft geschonden. Het College was derhalve bevoegd met toepassing van artikel 54, derde lid, aanhef en onder a, van de WWB de bijstand van appellante vanaf 1 mei 2009 in te trekken. De uitoefening van deze bevoegdheid is niet bestreden.
4.7. Tegen de terugvordering zijn geen afzonderlijke gronden aangevoerd.
4.8. Uit het vorenstaande volgt dat het hoger beroep niet slaagt en dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.
5. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Bevestigt de aangevallen uitspraak.
Deze uitspraak is gedaan door A.B.J. van der Ham als voorzitter en M. Hillen en E.J. Govaers als leden, in tegenwoordigheid van R.L.G. Boot als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 20 december 2011.
(get.) A.B.J. van der Ham.
(get.) R.L.G. Boot.
Tegen deze uitspraak kunnen partijen binnen zes weken na de datum van verzending beroep in cassatie instellen bij de Hoge Raad der Nederlanden (Postbus 20303, 2500 EH ’s-Gravenhage) ter zake van schending of verkeerde toepassing van bepalingen inzake het begrip gezamenlijke huishouding.
HD