ECLI:NL:CRVB:2011:BU9043
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging verlaging ouderdomspensioen wegens gezamenlijke huishouding
Appellant ontving sinds 1999 een ouderdomspensioen voor een ongehuwde. Na een onderzoek in 2009 concludeerde de Sociale verzekeringsbank (Svb) dat appellant een gezamenlijke huishouding voerde met een partner, wat leidde tot verlaging van zijn pensioen vanaf 1 november 2007. Appellant maakte bezwaar tegen deze beslissing en voerde aan dat er geen gezamenlijke huishouding bestond.
De rechtbank verklaarde zijn beroep ongegrond en ook in hoger beroep oordeelt de Centrale Raad van Beroep dat het besluit van de Svb terecht was. De Raad stelde vast dat appellant niet benadeeld werd door de latere vaststelling van de gezamenlijke huishouding bij zijn partner en dat hij geen verzoek tot herziening van zijn pensioen had ingediend.
De beëindiging van de toeslag op het ouderdomspensioen per oktober 2010 was eveneens terecht omdat de partner van appellant toen 65 jaar werd en recht kreeg op een eigen pensioen. De Raad ziet geen aanleiding voor proceskostenveroordeling en bevestigt de eerdere uitspraken.
Uitkomst: De verlaging van het ouderdomspensioen wegens gezamenlijke huishouding wordt bevestigd en het hoger beroep van appellant wordt ongegrond verklaard.