ECLI:NL:CRVB:2011:BU9144

Centrale Raad van Beroep

Datum uitspraak
21 december 2011
Publicatiedatum
5 april 2013
Zaaknummer
11-1672 WAO-V
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Verzet
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:54 AwbArt. 8:55 AwbArt. 6:17 AwbArt. 21 Beroepswet
Verwijzingen
6 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Verzet tegen niet-ontvankelijkverklaring wegens te late betaling griffierecht afgewezen

Appellante had hoger beroep ingesteld tegen een uitspraak van de rechtbank Utrecht, maar dit beroep werd niet-ontvankelijk verklaard omdat het griffierecht niet tijdig was voldaan. Tegen deze niet-ontvankelijkverklaring werd verzet ingesteld.

De Raad overwoog dat het griffierecht niet binnen de gestelde termijn was betaald, ondanks dat de gemachtigde van appellante hierover was geïnformeerd. Appellante stelde dat psychische klachten haar verhinderden tijdig te betalen, maar zij overlegde geen medische stukken ter onderbouwing hiervan.

De Raad oordeelde dat het ook op de gemachtigde van appellante had gelegen om voor tijdige betaling zorg te dragen en dat er geen feiten of omstandigheden waren die het verzuim konden rechtvaardigen. Daarom werd het verzet ongegrond verklaard. Het te laat betaalde griffierecht werd terugbetaald en er werd geen proceskostenveroordeling opgelegd.

Uitkomst: Het verzet wordt ongegrond verklaard wegens te late betaling van het griffierecht zonder medische onderbouwing.

Uitspraak

11/1672 WAO-V
Centrale Raad van Beroep
Enkelvoudige kamer
U I T S P R A A K
als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van Pro de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:
[appellante], wonende te [woonplaats], (hierna: appellante),
tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 31 januari 2011, 09/340 (hierna: aangevallen uitspraak),
in het geding tussen:
appellante
en
de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv)
Datum uitspraak: 21 december 2011
I. PROCESVERLOOP
Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) en artikel 21 van Pro de Beroepswet van 15 juni 2011 heeft de Raad het namens appellante door mr. J. Cortet, advocaat te Utrecht, ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.
Tegen de uitspraak van de Raad van 15 juni 2011 heeft mr. Cortet namens appellante verzet gedaan.
Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 28 november 2011, waar partijen - het Uwv met voorafgaand bericht - niet zijn verschenen.
II. OVERWEGINGEN
De uitspraak van de Raad van 15 juni 2011 berust op de overwegingen dat het verschuldigde griffierecht niet binnen de bij - aangetekend verzonden - brief van 22 april 2011 gestelde termijn van vier weken is bijgeschreven op de rekening van de Raad dan wel ter griffie is gestort, en dat redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat (de gemachtigde van) appellante niet in verzuim is geweest.
Het griffierecht is door de gemachtigde van appellante op 15 juni 2011, en daarmee buiten de gestelde termijn, overgemaakt op de rekening van de Raad.
In het verzetschrift heeft de gemachtigde van appellante aangevoerd dat appellante wegens psychische klachten niet altijd in staat is om aan haar verplichtingen te voldoen, daar zij deze niet kan overzien op het moment dat haar klachten verergeren. Appellante heeft het verschuldigde griffierecht niet tijdig voldaan, daar zij in die periode wegens haar psychische klachten niet in staat was om haar (dagelijkse) verplichtingen na te komen.
De Raad stelt vast dat (de gemachtigde van) appellante geen medische stukken heeft overgelegd waaruit kan worden afgeleid dat appellante buiten staat is geweest om voor tijdige betaling van het verschuldigde griffierecht zorg te dragen. De Raad is voorts van oordeel dat het - ook - op de weg van de gemachtigde van appellante had gelegen om voor tijdige betaling van het verschuldigde griffierecht zorg te dragen. De brief van 22 april 2011 is immers, overeenkomstig artikel 6:17 van Pro de Awb, aan de gemachtigde van appellante gezonden.
Nu niet is gebleken van feiten of omstandigheden die leiden tot het oordeel dat (de gemachtigde van) appellante niet in verzuim is geweest, moet het verzet ongegrond worden verklaard.
Het bedrag van het te laat betaalde griffierecht (€ 112,-) zal door de griffier van de Raad aan appellante worden terugbetaald.
Voor een veroordeling in de proceskosten van het verzet ziet de Raad geen aanleiding.
III. BESLISSING
De Centrale Raad van Beroep;
Recht doende:
Verklaart het verzet ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door T.G.M. Simons, in tegenwoordigheid van D.W.M. Kaldenhoven als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 december 2011.
(get.) T.G.M. Simons.
(get.) D.W.M. Kaldenhoven.
TM