ECLI:NL:CRVB:2011:BU9160
Centrale Raad van Beroep
- Hoger beroep
- Rechtspraak.nl
Bevestiging intrekking en terugvordering bijstand wegens schending inlichtingenplicht en bezit vermogensbestanddelen
Appellant ontving sinds oktober 2006 bijstand op grond van de WWB. Na een verkeerscontrole in maart 2008 waarbij cocaïne werd aangetroffen, startte de politie een onderzoek dat leidde tot een doorzoeking van de woning van appellant's vriendin. De Sociale Recherche voerde aanvullend onderzoek uit, inclusief verhoren van appellant en zijn vriendin.
Het College trok de bijstand in per 20 oktober 2006 wegens het niet melden van vermogensbestanddelen zoals contanten, sieraden, drugs en een auto, en het niet of onjuist verstrekken van informatie over inkomsten uit drugshandel. Tevens werd de bijstand over de periode tot december 2007 teruggevorderd.
De rechtbank verklaarde het beroep ongegrond, wat appellant in hoger beroep aanvocht. De Raad oordeelde dat appellant substantieel contant geld had kunnen beschikken zonder dit te melden, waarmee hij zijn inlichtingenplicht schond. Ook het bezit en de handel in cocaïne en voorbereidingsmiddelen moesten gemeld worden. Ondanks vrijspraak in het strafrecht voor handel in cocaïne, is de bestuursrechter niet gebonden aan dat oordeel.
Omdat appellant geen zelfstandige gronden tegen de intrekking en terugvordering aanvoerde, bevestigde de Raad de eerdere uitspraak en zag af van proceskostenveroordeling.
Uitkomst: De Centrale Raad van Beroep bevestigt de intrekking en terugvordering van bijstand wegens schending van de inlichtingenplicht.